Argumentatio-1

Paragraaf 37

occidisse patrem Sex. Roscius arguitur. scelestum, di immortales! ac nefarium facinus atque eius modi quo uno maleficio scelera omnia complexa esse videantur! etenim si, id quod praeclare a sapientibus dicitur, voltu saepe laeditur pietas, quod supplicium satis acre reperietur in eum qui mortem obtulerit parenti? pro quo mori ipsum, si res postularet, iura divina atque humana cogebant. 

 

scelestum ... scelera: een figura etymologica (zie thema stijlfiguren) markeert het begin- en eindpunt van een indrukwekkende reeks woorden die misdaad of misdadig betekenen: scelestum, nefarium, facinus, maleficio, scelera. Cicero onderstreept hierdoor eerst het huiveringwekkende van de beschuldiging en maakt haar daardoor belachelijk (want Roscius junior is niet het type mens dat zo iets afschuwelijks had kunnen doen, en, zoals later zal blijken, de tegenpartij heeft een belachelijk slechte aanklacht voor zo’n enorme beschuldiging geformuleerd).

a sapientibus dicitur – ipsum: het begin van de zin is een algemene filosofische uitspraak; met ipsum maakt echter Cicero duidelijk dat hij hem hier toepast op de specifieke situatie van vader en zoon Roscius.

occidisse patrem Sex. Roscius arguitur: hier klinkt voor het eerst de aanklacht, in volle omvang. Tegelijkertijd wordt met arguitur ook duidelijk gemaakt dat het slechts een beschuldiging is die nu weersproken zal worden. Door de passieve vorm vermijdt Cicero de aanklager Erucius te noemen en maakt daardoor opnieuw duidelijk dat het om een fictieve beschuldiging gaat (zie §35), bijna alsof het een hypothetisch geval was zoals die in een retorenschool aan de studenten voorgelegd zou worden.

supplicium satis acre: als Roscius werkelijk zijn vader had gedood, zou de doodstraf de enige gepaste straf zijn. Cicero wil beslist niet als te mild overkomen. Tegelijkertijd wordt voor het publiek duidelijk dat Cicero nu echt wel moet ontkrachten dat Roscius de dader is, en zo stijgt de spanning voor zijn pleidooi.

iura divina atque humana: hiermee vat Cicero alle geldende recht samen; iedereen moet hieraan gehoorzamen.

facinus: oorspronkelijk een neutraal woord (‘daad’; vgl. facere); doordat het dikwijls werd gebruikt met het oog op een misdaad, heeft zich ‘misdaad’ als zelfstandige betekenis ontwikkeld. Hier wordt facinus gekwalificeerd door sclestum, nefarium en eiusmodi quo t/m videantur (tricolon crescens).

quo ... videantur: de coni. in de betrekkelijke bijzin heeft een consecutief-definiërende waarde; quo is, anders gezegd, het equivalent van ut eo (‘zodanig dat daarmee alle misdaden zich in één misdaad lijken te hebben verenigd’). 

mortem obtulerit parenti: mortem offerre + dat. = ‘de dood brengen aan’ oftewel ‘doden’.

pro quo ... cogebant:  ‘voor wie goddelijke en menselijke wetten, als de situatie dat had vereist, hem hadden moeten dwingen zelf te sterven’. Let op de modus van cogebant (vertaald als ‘hadden moeten dwingen’): het Latijn presenteert de noodzaak als feit in het verleden. Postularet is een coni. potentialis van het verleden.