Argumentatio-2

Paragraaf 104

quid? tu, vir optime, ecquid habes quod dicas? mihi ausculta: vide ne tibi desis; tua quoque res permagna agitur. multa scelerate, multa audaciter, multa improbe fecisti, unum stultissime, profecto tua sponte non de Eruci sententia: nihil opus fuit te istic sedere. neque enim accusatore muto neque teste quisquam utitur eo qui de accusatoris subsellio surgit. huc accedit quod paulo tamen occultior atque tectior vestra ista cupiditas esset. nunc quid est quod quisquam ex vobis audire desideret, eum quae facitis eius modi sint ut ea dedita opera a nobis contra vosmet ipsos facere videamini? 

 

tu, vir optime: Cicero spreekt Magnus direct aan en doet alsof die hem had willen onderbreken. In het daadwerkelijke proces is het mogelijk dat Magnus dat ook echt wilde doen. Maar het is ook mogelijk dat Cicero weer een fictieve altercatio inbouwt (zie §43 en ook vaak daarna) omdat die de speech levendiger en luchtiger maakt. Het ironische vir optime past bij deze laatste optie. Cicero vertrouwt steeds meer op zijn eigen ethos bij de aanval op zijn tegenstanders (zie thema logos-ethos-pathos).

quid – ecquid – quod: de vele woorden met qu- laten open waar Cicero op doelt; hij beweert opnieuw zeer suggestief, maar zonder ook maar iets concreet te benoemen, dat iedereen Magnus’ daden wel doorziet (zie §43). Hetzelfde effect komt versterkt in de laatste zin van de alinea terug: (quid … quod quisquam – quae … [ea]).

ausculta: het woord (i.p.v. audi) komt niet zo vaak in formele teksten voor; het is eerder een woord van de komedie, wat past bij de het theatrale en licht komische karakter van deze fictieve altercatio.

multa scelerate, multa audaciter, multa improbe: het tricolon met anafoor (zie thema stijlfiguren) bereidt het vierde colon (unum stultissime) voor dat de reeks niet voortzet: unum staat tegenover multa, en een superlativus van het adverbium staat tegenover drie positiva. Dit laatste deel wordt door dit verrassingseffect juist extra benadrukt.

cupiditas: herhaling van §101.

Eruci sententia: zie §101 voor de suggestie dat Erucius het proces als regisseur heeft voorbereid en precies heeft vastgelegd wat de Titi Roscii moeten doen en zeggen.

neque enim … quisquam utitur: niet voor het eerst in de redevoering neemt Cicero hier de rol aan van de expert die uitlegt aan de tegenpartij wat ze hadden moeten doen of weten. Hij formuleert hier in algemene termen (quisquam) in de algemeen geldende tegenwoordige tijd (utitur) wat iedereen toch zou moeten weten (enim) (zie thema zelfpresentatie)

tu, vir optime: T. Roscius Magnus.

ecquid habes: ‘heb jij wel iets?’

ausculta: auscultare (‘horen, luisteren’) is spreektalig Latijn; het leeft voort in het Italiaanse ascoltare.

vide ne: hier vid─ôre in de betekenis ‘erop toezien, ervoor zorgen’.

teste ... eo qui: ‘een getuige die’; eo heeft hier ongeveer de waarde van tali (‘een getuige zodanig dat hij ...’).

quisquam (2x): het Latijn gebruikt quisquam i.p.v. aliquis wanneer er een ontkenning in het spel is. In het eerste geval is dat neque. In het het tweede geval maakt quisquam duidelijk dat het veronderstelde antwoord op de (retorische) vraag ontkennend is (‘Niets!’).

cum quae facitis eiusmodi sint, ut: ‘wanneer jullie handelingen (lett. ‘wat jullie doen’) van dien aard zijn dat’; het subject van sint is quae facitis; eiusmodi fungeert als naamwoordelijk deel van het gezegde.    

ea: object van facere; verwijst terug naar quae facitis

dedita opera: abl. abs. ‘nadat er moeite is gedaan’, ‘met moeite’.

a nobis: hier = pro nobis, tegenover contra vosmet ipsos (vgl. §83).

vosmet: het suffix -met versterkt vos.