Argumentatio-2

Paragraaf 118

etenim quaerere ita debetis: ubi multa avare, multa audacter, multa improbe, multa perfidiose facta videbitis, ibi scelus quoque latere inter illa tot flagitia putatote. tametsi hoc quidem minime latet quod ita promptum et propositum est ut non ex illis maleficiis quae in illo constat esse hoc intellegatur verum ex hoc etiam, si quo de illorum forte dubitabitur, convincatur. quid tandem, quaeso, iudices? num aut ille lanista omnino iam a gladio recessisse videtur aut hic discipulus magistro tantulum de arte concedere? par est avaritia, similis improbitas, eadem impudentia, gemina audacia.

 

flagitiis ... maleficium – flagitia – maleficiis: met de woordherhaling benadrukt Cicero de nauwe samenhang tussen Capitos schandelijke gedrag, zoals in de voorafgaande paragrafen geschetst, (flagitia) en de misdaad die in dit proces behandeld wordt (maleficium) (zie thema logos-ethos-pathos).

multa avare … multa perfidiose: de viervoudige anafoor (zie thema stijlfiguren) versterkt dit argumenten benadrukt de vier erbij vermelde slechte eigenschappen van Capito.

latere - minime latet: Cicero corrigeert zich zelf schijnbaar en komt daarmee op het eerdere thema terug dat de misdaden van de Titi Roscii iedereen glashelder voor ogen staan (zie §98 en 101).

promptum et propositum: alliteratie en hendiadys dat hetzelfde punt versterkt (zie thema stijlfiguren).

ex illis maleficiis – ex hoc – de illorum: op het eerste gezicht voor de luisteraar ingewikkelde referenties: Illa slaat op flagitia, hoc op maleficium. Ook voor Cicero’s luisteraars zal deze zin niet makkelijk te begrijpen zijn geweest; het gaat hem waarschijnlijk eerder erom zijn publiek te overrompelen dan het logisch te overtuigen.

avaritia – audacia: drie van de genoemde eigenschappen van Magnus nemen de bijwoorden aan het begin van de alinea weer op, waarmee Capito gekarakteriseerd werd (avare, audacter, improbe); impudentia varieert perfidiose. Dit maakt duidelijk hoe sterk Magnus op zijn ‘leraar’ lijkt.

lanista – magister: zie §17 voor dezelfde karakterisering van Capito als Magnus’ zogenaamde leermeester in een gladiatorenschool.

de arte: alles wat ambachtelijk uitgevoerd wordt, heeft volgens antieke voorstelling zijn eigen ars (d.w.z. theorie en technische beheersing), zelfs het vechten als gladiator.

putatote: imperativus fut. (‘jullie zullen moeten menen‘); daarvan afhankelijk de a.c.i. scelus ... lat─ôre.

quae in illo constat esse: lett. ‘die het vaststaat in hem te zijn’, oftewel ‘waarvan het vaststaat dat die in hem zijn’ (zgn. relative Verschränkung, zie §151, in fatsoenlijk Nederlands ‘waarvan vaststaat dat hij ze heeft begaan’. 

hoc intellegatur: sc. maleficium.

si quo de: = si de quo; de prepositie de staat achter de bijbehorende abl. (anastrophe). si quo = si aliquo.  

convincatur: convincere = ‘bewijzen’.

tantulum: zie §114.