Argumentatio-2

Paragraaf 123

ego sic existimo, qui quaeri velit ex eis quos constat, cum caedes facta sit, adfuisse, eum cupere verum inveniri; qui id recuset, eum profecto, tametsi verbo non audeat, tamen re ipsa de maleficio suo confiteri. dixi initio, iudices, nolle me plura de istorum scelere dicere quam causa postularet ac necessitas ipsa cogeret. nam et multae res adferri possunt, et una quaeque earum multis cum argumentis dici potest. verum ego quod invitus ac necessario facio neque diu neque diligenter facere possum. quae praeteriri nullo modo poterant, ea leviter, iudices, attigi, quae posita sunt in suspicionibus de quibus, si coepero dicere, pluribus verbis sit disserendum, ea vestris ingeniis coniecturaeque committo.

 

quos constat – adfuisse: de betrekkelijke bijzin zonder antecedent verwijst naar de slaven, en in de nadere omschrijving heel expliciet naar de reden waarom ze zo belangrijk zijn: ze waren ooggetuigen (zie §120). Überhaupt is de hele zin vol van dergelijke betrekkelijke bijzinnen zonder antecedenten (qui quaeri velit = Sextus Roscius; qui id recuset = Titi Roscii). Hierdoor lijkt Cicero de gegevens van deze zaak tot een algemene regel om te vormen.

neque diu neque diligenter: de alliteratie benadrukt dat Cicero het tweede deel van de argumentatio zogenaamd tegen zijn zin heeft gehouden (zie §83).

nullo modo: sterke variant van non

pluribus verbis: want als er ecth een zaak tegen de Titi Roscii zou komen, zou Cicero hen aanklagen met een redevoering die eerder de lengte van de hele speech voor Sextus Roscius zou hebben.

ingeniis coniecturaeque: Cicero formuleert hiermee dat hij verwacht dat de juryleden de ware schuldigen van de moord ter verantwoording zullen roepen, maar hij verstopt deze opdracht in een compliment voor hun wijze inzicht (ingenia) en talent als speurders (coniectura).

dixi initio: zie §83.

qui quaeri velit: het “antecedent” van qui is de subjectsaccusativus eum. Het is niet moeilijk om de “flow” van het Latijn in het Nederlands te volgen: ‘Ik ben zodoende van mening dat, wie (qui) wil dat er een verhoor wordt afgenomen [...], dat diegene (eum) wenst dat de waarheid gevonden wordt’.

ex eis, quos constat ... adfuisse: ‘van diegenen, die het vaststaat aanwezig geweest te zijn’, oftewel ‘van diegenen, van wie het vaststaat dat zij aanwezig waren’ (relative Verschränkung, zie §151).

cum facta sit: een temporele bijzin – toch in de coni. omdat hij is ingebed in een a.c.i.

re ipsa: in goed Nederlands ipso facto.

qui id recuset, eum ... confiteri: zoals de puntkomma aangeeft, is deze a.c.i. nog steeds afhankelijk van ego sic existimo; voor de zinsbouw zie boven (qui quaeri velit).

plura ... quam: ‘meer ... dan’.

una quaeque earum: ‘een ieder daarvan’; unusquisque wordt ook vaak aaneengeschreven.  

quod invitus ac necessario facio: adjectief (predicatief) en bijwoord op één lijn; deze quod-bijzin is in zijn geheel het object van facere possum.

quae ... poterant, ea ... attigi: de relatieve bijzin gaat, in het Latijn niet ongebruikelijk, vooraf aan het “antecedent”, of liever gezegd: ea herneemt de relatieve bijzin. Hetzelfde geldt voor quae posita sunt ..., ea ... committo.

de quibus ... sit disserendum: gerundivum van verplichting; de coni. is consecutief-definiërend.