Amicitia

Het Romeinse woord amicitia lijkt qua strekking misschien nog het meest op ons ‘netwerk’. In onze 21e -eeuwse maatschappij bedoelen mensen met ‘hun netwerk’ hun familie, vrienden en kennissen bij wie ze kunnen aankloppen voor advies of steun. Door openbare scholen en door onze wetten kan iedereen carrière maken op basis van talent, ambitie en inzet, maar voor sommige loopbanen of bij conflicten kunnen de mensen in je netwerk veel verschil maken. Hoe invloedrijker iemand is, hoe meer mensen graag in zijn of haar netwerk willen. En hoe meer mensen iemand in zijn of haar netwerk heeft, hoe groter de kansen om met steun van dat netwerk successen te boeken.

In de Romeinse maatschappij waren netwerken feitelijk de sociale basis onder elke belangrijke stap in het leven: huwelijken, werk, juridische geschillen, medische zorg, stemgedrag, leningen en mogelijke verblijfplaatsen bij reizen werden allemaal bepaald door je netwerk. Romeinen noemden mensen in hun netwerk die geen familie waren ‘vrienden’ amici. Je zou kunnen zeggen dat amicitiae in het Romeinse politieke en sociale systeem het belangrijkste soort kapitaal was dat men had; belangrijker dan geld, talent, inzet of roem. 

Amicitiae gaven je toegang tot advies of steun, maar verplichtten je ook tot wederdiensten. Dat was geen keuze, maar een plicht. In zijn pleidooien, geeft Cicero meestal in de eerste vijf paragrafen een duidelijke schets van zijn persoonlijke band met degene die hij verdedigt en zijn motieven om de verdediging op zich te nemen. Die motieven zijn zelden inhoudelijk, maar hebben altijd te maken met de amcitia die Cicero met zijn cliënt onderhoudt. Amicitia was namelijk de meest geaccepteerde reden om iemand juridisch bij te staan. Later in zijn leven heeft Cicero steeds vaker vriendschapsbanden met beide partijen in een juridisch conflict. Dan legt hij uit, waarom de relatie met zijn cliënt boven die met de tegenpartij gaat.

In het geval van de verdediging van Sextus Roscius uit Ameria kun je je afvragen hoe Cicero aan die vriendschap kwam en waarom hij besloot hem te verdedigen. In §4 zegt Cicero dat hem het verzoek tot verdediging is gedaan ‘door diegenen die bij mij door hun vriendschap (amicitia) hun weldaden (beneficiis) en hun waardigheid (dignitate) heel veel voor elkaar krijgen. Ik mocht hun genegenheid voor mij niet negeren, hun gezag niet afwijzen en hun wens mocht me niet onverschillig laten.’ Met andere woorden, Cicero verdedigt Sextus Roscius vanwege gemeenschappelijke amici. In §15, aan het begin van de narratio, horen we dat Sextus Roscius’ vader bevriend was met de invloedrijke families van de Metelli, de Servilii en de Scipiones en dat deze invloedrijke familievrienden het enige kapitaal waren dat Sextus Roscius van zijn vader had geërfd, nu zijn bezittingen hem ontnomen waren. Het woord amicita wordt in één adem genoemd met hospitia, domesticus usus et consuetudo. Het beeld van vriendschap betekent dus enerzijds dat men regelmatig bij elkaar over de vloer komt, maar anderzijds heeft het een maatschappelijke waarde die bij wijze van erfenis van vader op zoon kan overgaan. Voor Cicero betekent zijn vriendschap met de Metelli, Servilii en Scipiones dat hij de riskante verdediging op zich neemt van een onbekende man uit Ameria. Hij doet dit met de plichtsgetrouwheid (fides, §10) die het een vriend betaamt, en zal liever bezwijken onder deze last (onus offici, §10) dan dat men hem ooit van perfidia (trouweloosheid) kan beschuldigen.

Is vriendschap hiermee feitelijk een zakelijke relatie, zoals vaak wordt gezegd over de Romeinse invulling van amicitia? En moeten we het verbinden met het patronus-cliens-systeem, waarbij wederzijdse plichten en verwachtingen de kern van de relatie vormden?  Over vriendschap in de Romeinse republiek is veel geschreven, o.a. door Cicero. In zijn boek ‘Over de vrienschap’ van 44. v. Chr. geeft hij de volgende filosofische definitie:

‘Vriendschap is niets anders dan overeenstemming over alle dingen die met goden of mensen te maken hebben, plus liefde en genegenheid. Misschien met uitzondering van wijsheid hebben de onsterfelijke goden de mens niets mooiers gegeven. Sommigen geven de voorkeur aan rijkdom, anderen aan een goede gezondheid, aan macht of publieke functies, en velen ook aan zinnelijk genot. Dat laatste is iets voor dieren; die eerder genoemde zaken zijn vergankelijk en onzeker, en niet zozeer in onze macht als wel onderhevig aan de grilligheid van het lot. Zij die in de deugd het hoogste goed zien hebben groot gelijk! Juist de deugd brengt vriendschap voort en houdt haar in stand. Zonder deugd kan er helemaal geen vriendschap bestaan.’  (vertaling: Rogier van der Wal. 2012)

Waarschijnlijk komt deze filosofische benadering van vriendschap die hij aan het eind van zijn leven geeft, niet overeen met de inhoud die hij geeft aan amicitia, wanneer hij Sextus Roscius verdedigt. Cicero zal tijdens zijn leven een meester blijken in het herdefiniëren van woorden, die daarmee hun ingesleten betekenis verruilen voor een nieuwe, meer filosofische invulling.

In §106 zien we hoe negatief Cicero is over Capito en Magnus Roscius die amicitia met Chrysogonus, een vrijgelatene, prefereren boven de aloude vriendschapsbanden met belangrijke Romeinse families die de Roscii als familie al hadden. Voor de Romeinse juryleden voelt het waarschijnlijk bijna als een persoonlijke belediging en in elk geval als een groot gebrek aan sociaal inzicht dat Capito en Magnus Roscius een vrijgelatene als amicus zouden prefereren boven mensen als zij.

In §111-113 lezen we hoe belangrijk het kunnen vertrouwen op vrienden is voor het functioneren van de maatschappij. Cicero onderwijst in deze paragrafen iedereen die het niet goed heeft begrepen, de tegenstanders in elk geval, over het belang van betrouwbaarheid van vriendschapsrelaties. Letterlijk staat er:

“Want wij kunnen niet alles zelf doen: ieder heeft zijn kwaliteiten. Daarom worden er vriendschappen gesloten, zodat het algemene nut door wederzijdse plichten in goede banen wordt geleid.” (Cicero, Pro Sexto Roscio Amerino 111, vert. Rogier van der Wal)                                                                                                                

Onderzoeksvragen:

  1. BETEKENISONDERZOEK (SEMANTIEK): Welke woorden vind je in de directe context van (vormen van) amicus en amicitia? Analyseer welke woorden een tegenstelling vormen van amicus, welke een synoniem, of een deel van een opsomming (en waarvan dan?). Wat kun je concluderen over de betekenis van amicus / amicitia? Deze opdracht kan worden uitgevoerd in deze redevoering of een andere tekst, al dan niet van Cicero, en eventueel kan er een vergelijking worden gemaakt tussen teksten.
  2. RETORISCH ONDERZOEK: Chrysogonus behoorde ongetwijfeld tot het netwerk van Sulla. Onderzoek of in de redevoering de term amicus / amicitia wordt gebruikt om een relatie te kenmerken. Worden er (ook) andere termen gebruikt? Probeer een verklaring te geven voor de gekozen woorden.
  3. LITERAIR-HISTORISCH ONDERZOEK: Lees Cicero’s boekje Vriendschap (vertaald door Rogier van der Wal) en onderzoek wie de doelgroep van een dergelijk werk zou kunnen zijn geweest door te letten op wie Cicero aanspreekt, maar ook hoe hij zijn betoog vormgeeft. Het is ook nuttig dit werk aan Cicero’s biografie te koppelen.
  4. ANTROPOLOGISCH ONDERZOEK: Ondervraag een aantal mensen uit je omgeving over hun idee van ‘vriendschap’ en destilleer uit die gesprekken bepaalde woorden of thema’s die in de kern of juist de periferie van het idee van vriendschap voorkomen. Leg je analyse aan de ondervraagde mensen voor en check of ze zich herkennen in je analyse. Eventuele verschillen tussen mensen zou je verder kunnen uitdiepen in een vervolggesprek.
  5. SOCIOLOGISCH ONDERZOEK: Vergelijk het begrip ‘vriendschap’ in twee groepen. Selecteer uit je kennissenkring twee groepen mensen die substantieel verschillen in één belangrijk identiteitskenmerk, zoals cultuur, generatie, religie, politieke voorkeur of gender en probeer de andere kenmerken juist gelijk te houden. Ondervraag de twee groepen op gelijke wijze over wat zij kenmerken van vriendschap vinden middels een enquête of interviews. Vergelijk de uitkomsten en beargumenteer of verschillen tussen de groepen te relateren zijn aan het verschil in gekozen identiteitskenmerk. 

Printweergave Thema Amicitia