Peroratio

Paragraaf 151

ad eamne rem vos reservati estis, ad eamne rem delecti ut eos condemnaretis quos sectores ac sicarii iugulare non potuissent? solent hoc boni imperatores facere cum proelium committunt, ut in eo loco quo fugam hostium fore arbitrentur milites conlocent, in quos si qui ex acie fugerint de improviso incidant. nimirum similiter arbitrantur isti bonorum emptores vos hic, talis viros, sedere qui excipiatis eos qui de suis manibus effugerint. di prohibeant, iudices, ne hoc quod maiores consilium publicum vocari voluerunt praesidium sectorum existimetur!  

sectores et sicarii: zie §103 voor deze combinatie van woorden.

boni imperatores – bonorum emptores: spel met de sterke assonantie van deze twee woordgroepen (uitgesproken als bon(i) imperatores, bonor(um) emptores), waardoor de antithese tussen de twee juist versterkt wordt: een bevelhebber in de oorlog is iets heel anders dan een opkoper van andermans goederen.

nimirum: anders dan in §148 is het woord hier ironisch gebruikt.

tales viros: zie §150 voor Cicero’s poging om de jury te vleien.

di prohibeant: het aanroepen van de goden is een typisch pathosmiddel (zie thema logos-ethos-pathos) dat we vaak in de peroratio van een speech tegenkomen.

consilium publicum: door hier de rechtbank aan te duiden als consilium publicum legt Cicero een nauw verband tussen het besluit van de jury en politieke besluiten in de senaat, zie §153.

reservati estis: Cicero herinnert de juryleden met deze opvalllende formulering eraan dat zij net zo goed slachtoffer van de proscriptie hadden kunnen zijn.

boni imperatores: wat Cicero hier beschrijft is een goede en eervolle taktiek tijdens een oorlog; hier maakt Cicero een opvallende vergelijking tussen de boni imperatores en de bonorum emptores (zie retorica) waarbij de laatsten de rechters als linie voor de vluchtende ‘vijand’ (de kinderen van de geproscribeerden) opstellen; zie voor het contrast oorlog/rechtszaak ook §154.

ad eamne rem: het enclitische vraagpartikel -ne, dat een neutrale vraag inleidt, hecht zich aan rem, niet aan ad, omdat een voorzetsel niet als zelfstandige prosodische eenheid wordt ervaren.

potuissent: de coni. in de relatieve bijzin heeft hier een definiërende waarde: “die van dien aard waren dat opkopers en sluipmoordenaars ze niet hadden kunnen vermoorden”.

solent hoc ... facere: hoc anticipeert op de ut-zin die het eigenlijke object van facere vormt.

cum proelium committunt: cum + indicativus heeft een zuiver temporele waarde (“op het moment dat”).

quo fugam hostium fore arbitrentur: letterlijk “waarheen zij menen de vlucht van de vijanden te zullen zijn”, oftewel “waarheen naar hun mening de vlucht van de vijanden zal zijn”. Het relatieve adverbium quo (“waarheen”) maakt deel uit van een ondergeschikte constructie binnen de bijzin. Zo’n “relative Verschränkung” geldt in het Nederlands als ongrammaticaal (“de dag die je wist dat zou komen”), maar is in het Latijn volstrekt normaal.

arbitrentur: de bijzin heeft de modus aangenomen van de ut-zin waarin hij is ingebed (collocent) en waarmee hij één coherente gedachte vormt.

in quos ... incidant: de coni. heeft hier een finale waarde.

si qui ex acie fugerint: qui = aliqui (“sommigen”); in deze conditionele bijzin ligt het subject van incidant besloten (“op wie, als sommigen uit de slaglinie zijn wegvluchten, [die sommigen] stuiten”).   

di prohibeant, iudices, ut: normaliter wordt prohibere gevolgd door ne; wellicht is de tekst op dit punt onjuist overgeleverd.

maiores: voorvaderen.