Argumentatio-2

Paragraaf 110

 impedimento est quo minus de his rebus Sulla doceatur, ceterorum legatorum consilia et voluntatem Chrysogono enuntiat, monet ut provideat ne palam res agatur, ostendit, si sublata sit venditio bonorum, illum pecuniam grandem amissurum, sese capitis periculum aditurum; illum acuere, hos qui simul erant missi fallere, illum identidem monere ut caveret, hisce insidiose spem falsam ostendere, eum illo contra hos inire consilia, horum consilia illi enuntiare, cum illo partem suam depecisci, hisce aliqua fretus mora semper omnis aditus ad Sullam intercludere. postremo isto hortatore, auctore, intercessore ad Sullam legati non adierunt; istius fide ac potius perfidia decepti, id quod ex ipsis cognoscere poteritis, si accusator voluerit testimonium eis denuntiare, pro re certa spem falsam domum rettulerunt.

 

De alinea toont het dubbele spel van Capito door voortdurend de referentie te veranderen tussen ille (= Chrysogonus) en hi (= de overige gezanten). De virtuositeit van het bedrog wordt onderstreept door het tempo te benadrukken waarmee Capito voortdurend van rol moest veranderen: de alinea zit vol van historische infinitivi en zeer korte zinnen. Bovendien zit er een crescendo met aan het eind twee zinnen waarin hi en ille allebei gebruikt zijn (cum illo contra hos; horum consilia illi) en Capito dus de twee partijen letterlijk tegen elkaar uitspeelt.

est, enuntiat, monet, ostendit: de praesentia historica zorgen voor een grotere betrokkenheid van het publiek bij deze gebeurtenissen: de betrokkenheid die wordt opgeroepen is enerzijds gebaseerd op wat we al verwachtten van Capito (kennis van het personage) en anderzijds op de gevolgen van zijn acties (misleiding van het gezantschap).

acuere, monere, ostendere, inire, enuntiare, depecisci, intercludere: de historische infinitieven markeren hoe Capito druk bezig is met dubbelstrategie, waarbij hij tegelijkertijd Chrysogonus en de gezanten probeert te bespelen.

hortatore auctore intercessore: het tricolon vat samen hoe centraal Capito tijdens het gezantschap was: hij was de hoofdrolspeler.

postremo … non adierunt: de conclusie van Capito’s intriges wordt aangekondigd door postremo en  gepresenteerd in het perfectum. Met dit tempus wordt een volgende stap in het verhaal gemarkeerd en wordt de voorgaande episode afgerond. Ook rettulerunt in de zin hierna markeert een dergelijke stap.

fide – perfidia: Cicero corrigeert zichzelf door fides te vervangen door een woord met tegengestelde betekenis, maar van dezelfde woordstam, wat de correctie extra markeert. Net zo wordt in de laatste zin het bedrog door Capito van zijn medeburgers benadrukt door een scherpe tegenstellingt: re certa vs. spem falsam (dit laatste staat twee keer in de alinea).

Sulla: maar liefst drie keer benadrukt Cicero dat de gezanten Sulla niet hebben gesproken en niet mochten spreken omdat hij de misdaad van Chrysogonus en Capito nooit zou hebben goedgekeurd. Dit past bij eerdere passages waar Cicero Sulla van alle medeschuld vrijpleit (zie §89 en §91 en het thema Sulla).

impedimento est: dativus finalis (lett. ‘is tot verhindering’); als subject moeten we in gedachten Capito aanvullen.

quominus: na uitdrukkingen die een verhindering of beletsel uitdrukken, zoals hier impedimento est, volgt in beginsel quin of quominus (lett. ‘waardoor minder’) + coniunctivus, te vertalen met ‘dat’ (vgl. quin in §107).

capitis periculum: ‘levensgevaar’.

acuere ... fallere ... monere ... ostendere ... inire ... depecisci ... intercludere: Cicero bedient zich hier van een reeks zgn. infinitivi historici, enerzijds om zijn relaas te verlevendigen, anderzijds om aan te geven dat het om herhaalde handelingen gaat.

illum ... hos:  Cicero verwijst telkens met het aanwijzend voornaamwoord ille naar Chrysogonus, met hi naar de gezanten uit Ameria.

aditus: acc. pl. (vierde declinatie).

testimonium eis denuntiare: testimonium denuntiare alicui (lett. ‘voor iemand een getuigenis afkondigen’ of iets dergelijks) betekent ‘iemand oproepen om te getuigen’.