Peroratio

Paragraaf 145

praedia mea tu possides, ego aliena misericordia vivo; concedo, et quod animus aequus est et quia necesse est. mea domus tibi patet, mihi clausa est; fero. familia mea maxima tu uteris , ego servum habeo nullum; patior et ferendum puto. quid vis amplius? quid insequeris, quid oppugnas? qua in re tuam voluntatem laedi a me putas? ubi tuis commodis officio? quid tibi obsto? si spoliorum causa vis hominem occidere, spoliasti ; quid quaeris amplius? si inimicitiarum, quae sunt tibi inimicitiae cum eo cuius ante praedia possedisti quam ipsum cognosti ? si metus , ab eone aliquid metuis quem vides ipsum ab se tam atrocem iniuriam propulsare non posse? sin, quod bona quae Rosci fuerunt tua facta sunt, idcirco hunc illius filium studes perdere, nonne ostendis id te vereri quod praeter ceteros tu metuere non debeas ne quando liberis proscriptorum bona patria reddantur?  

Cicero begint deze alinea door plotseling met de stem van Roscius te spreken. In de retorische theorie heet dat prosopopoiía of personificatio. Halverwege de alinea verwijst hij dan weer naar hem in de derde persoon. De precieze overgang geeft hij niet precies aan (de zin si spoliorum … spoliasti zou ook nog door Roscius gesproken kunnen zijn; alleen achteraf begrijpt de lezer dat wegens de parallellie met het volgende Cicero hier weer aan het woord is). Of Cicero dit door wisseling in de intonatie heeft aangegeven, weten we niet.

praedia - mea domus - familia: een tricolon van drie parallel gebouwde, antithetische en syntactisch eenvoudige zinnen. De simpele zinsbouw maakt het punt des te indringender; bovendien past het bij de ‘spreker’ Roscius, die volgens Cicero een simpele boer is.

animus aequus est: overduidelijk een directe karakterisering (Roscius spreekt hier zogenaamd over zichzelf), versterkt door de alliteratie.

quid… quid… quid… ubi… qua in re ...quid? Zes retorische vragen sluiten Roscius’ directe speech op een bijzonder pathetische manier af. De eerste drie vormen door de anafoor een soort tricolon; bij de tweede drie vinden we juist variatie van het vraagwoord; het laatste colon pakt het vraagwoord quid weer op – een meesterlijke manier om alle zes vragen toch tot een eenheid te maken.

si (3x) – sin: met een anafoor en tricolon verwerpt Cicero drie persoonlijke redenen waarom Chrysogonus belang zou hebben bij Roscius’ dood. In alle drie de zinnen worden de belangrijke woorden verdubbeld (spoliorum – spoliasti; inimicitiarum  inimicitiae; metus – metuis). De vierde reden zou politiek zijn, namelijk als de proscripties ongeldig verklaard zouden worden en de verkoop van de goederen ongedaan gemaakt zou worden. Als vriend van Sulla zou hij dit echter moeten kunnen voorkomen (praeter ceteros tu metuere non debeas); zie ook §146.

aliena misericordia vivo: zie Pinkster s.v. vivo 3.

et quod ... et quia: ‘zowel omdat ... als omdat’.

familia mea maxima: abl. bij uteris.

ferendum: sc. esse.

officio: geen vorm van officium, maar van het werkwoord officere (< ob + facere) ‘in de weg gaan staan, hinderen’ (vgl. obsto); zoals veel samengestelde werkwoorden regeert ook officere de dativus.

spoliasti: gesyncopeerde vorm van spoliavisti.

si inimicitiarum: sc. causa.

ante ... quam: ‘eerder ... dan, voordat’

sin metus: sc. causa; metus is hier dus een gen.

quem vides ... propulsare non posse: ‘die jij ziet ... niet te kunnen afweren’, i.e. ‘van wie jij ziet dat hij ... niet kan afweren’ (relative Verschränkung).

nonne ostendis: het vraagpartikel anticipeert op een positief antwoord (‘toch zeker wel?’).

vereri ... nequando: ‘vrezen ... dat ooit’; na zgn. verba timendi volgt in het Latijn het voegwoord ne, omdat men hoopt dat de gevreesde state of affairs geen werkelijkheid wordt; ne quando (= aliquando) wordt soms, zoals hier, als één woord gespeld.

liberis: ‘kinderen’.