Argumentatio-1

Paragraaf 56

accusatores multos esse in civitate utile est ut metu contineatur audacia; verum tamen hoc ita est utile ut ne plane inludamur ab accusatoribus. innocens est quispiam, verum tamen, quamquam abest a culpa, suspicione tamen non caret; tametsi miserum est, tamen ei qui hunc accuset possim aliquo modo ignoscere. cum enim aliquid habeat quod possit criminose ac suspiciose dicere, aperte ludificari et calumniari sciens non videatur. qua re facile omnes patimur esse quam plurimos accusatores, quod innocens, si accusatus sit, absolvi potest, nocens, nisi accusatus fuerit, condemnari non potest; utilius est autem absolvi innocentem quam nocentem causam non dicere. Anseribus cibaria publice locantur et canes aluntur in Capitolio ut significent si fures venerint. at fures internoscere non possunt, significant tamen si qui noctu in Capitolium venerint et, quia id est suspiciosum, tametsi bestiae sunt, tamen in eam partem potius peccant quae est cautior. quod si luce quoque canes latrent cum deos salutatum aliqui venerint, opinor, eis crura suffringantur, quod acres sint etiam tum cum suspicio nulla sit. 

 

ut metu contineatur audacia: Cicero formuleert een algemene norm. Het is opvallend dat Cicero geen neutralere term gebruikt (‘misdaad’, bijv. crimen, facinus), maar kiest voor audacia waarvan hij vanaf het begin van zijn speech zijn tegenstanders beschuldigt (zie §7). Hier geeft het begrip samen met de allitererende woorden accusatores/accusatoribus aan het begin en het einde van de zin een gevoel van evenwicht en samenhang.

illudamur: door de herhaling van het woord (zie §54) wordt het publiek duidelijk gemaakt dat deze passage toch met Erucius te maken zal hebben.

verum tamen – verumtamen – tamen – tametsi – tamen: de vijf keer gebruikte tegenstelling die tamen inleidt zorgt ervoor dat de zin moeilijk te begrijpen is. Misschien wil Cicero hiermee markeren hoe moeilijk het voor hem is om enigszins positief over Erucius’ rol (niet Erucius zelf!) te spreken, omdat hij hem daarvoor zo vaak belachelijk gemaakt heeft. Zoals uit het vervolg zal blijken, is de passage dan ook helemaal niet positief, maar eindigt met een impliciete bedreiging van Erucius.

anseribus – canes: de twee diersoorten worden als vergelijking voor de rol van de aanklager gebruikt. Ganzen worden daarbij alleen als nuttig beschreven, terwijl honden altijd blaffen als iemand nadert, dus ook fout alarm geven. Het is duidelijk dat Erucius eerder met de hond geassocieerd wordt (daarom gaat Cicero ook langer met het voorbeeld van de honden door, zie ook §57).

et tametsi bestiae sunt: deze tussenzin lijkt syntactisch slordig met de rest verbonden. Misschien heeft Cicero dat bewust gedaan om hem eruit te laten springen om het woord bestiae te benadrukken. Is het misschien zelfs een impliciet scheldwoord voor Erucius?

crura suffringantur: brute straf voor de te ijverige honden; de latente aggressie die Cicero daarmee tegen Erucius toont moet men niet onderschatten.

suspicio nulla: hiermee legt Cicero duidelijk de link naar het voorafgaande (zie §55): Erucius heeft Roscius ook zonder verdenking aangeklaagd; de suggestie wordt gewekt dat hij ook straf verdient.

accusatores multos: Cicero voegt een digressie in die uiteindelijk aanklagers belachelijk wil maken. Cicero zelf zou in zijn leven niet vaak de rol van aanklager op zich nemen – hij zag zichzelf eerder in de rol van verdediger (misschien omdat dat een vriendelijkere associatie opwekte: de verdediger helpt immers een medeburger, terwijl de aanklager hem wil straffen).

criminose – suspiciose – ludificari - calumniari: Cicero stelt hier het serieuze aanklagen (criminose) en verdacht maken (suspiciose) tegenover het opzettelijk bespotten (ludificari) en lasteren (calumniari).

utilius est absolvi innocentem: Cicero benadrukt hiermee impliciet dat de rol van de verdediger (zijn eigen rol!) belangrijker en nuttiger is dan die van de aanklager, zie §54.

anseribus – canes: de ganzen hadden in het jaar 390 v.Chr. verhinderd dat de Galliërs (die al de rest van de stad hadden ingenomem) ook het Capitool in handen zouden krijgen. Toen de vijand ’s nachts stiekem aanrukte, sliepen de Romeinse bewakers, maar ze werden door het snateren van de ganzen nog net op tijd wakker om de soldaten te roepen. Waakhonden kenden de Romeinen natuurlijk ook (beroemd is een mozaiek uit Pompeii waarop een hond en de tekst CAVE CANEM staan afgebeeld).