Argumentatio-1

Paragraaf 78

quid facitis? cur recusatis? dubitate etiam nunc, iudices, si potestis, a quo sit Sex. Roscius occisus, ab eone qui propter illius mortem in egestate et in insidiis versatur, cui ne quaerendi quidem de morte patris potestas permittitur, an ab eis qui quaestionem fugitant, bona possident, in caede atque ex caede vivunt. omnia, iudices, in hac causa sunt misera atque indigna; tamen hoc nihil neque acerbius neque iniquius proferri potest: mortis paternae de servis paternis quaestionem habere filio non licet! ne tam diu quidem dominus erit in suos dum ex eis de patris morte quaeratur? veniam, neque ita multo postea, ad hunc locum; nam hoc totum ad Roscios pertinet, de quorum audacia tum me dicturum pollicitus sum, cum Eruci crimina diluissem.

 

quaerendi quidem de morte patris potestas permittitur: sterke alliteratie die Cicero’s verontwaardiging onderstreept.

in caede atque ex caede: krachtige formulering, die uitdrukt dat de twee Titi Roscii veel geld hebben gemaakt door van Sulla’s proscipties (zie thema Sulla) te profiteren: ze hebben vogelvrij verklaarde burgers gedood en daarvoor de beloming gekregen (in caede), en ze hebben de bezittingen van de doden goedkoop kunnen kopen (ex caede). Zie ook §80 en 81: voor de voorbereidende karakterisering van de Roscii (zij zijn vanaf §83 pas echt in beeld) maakt Cicero meerdere keren gebruik van heel snedige formuleringen.

paternae – paternis: polyptoton dat aangeeft hoe wreed de tegenpartij handelt: zij laat Roscius niet doen wat een plichtsgetrouwe zoon behoort te doen (filio non licet).

audacia: zie §7 voor het gebruik van audacia voor de daden van de tegenstanders.

De paragraaf bereidt alvast het tweede deel van de argumentatio voor waar Cicero tegen de Titi Roscii Magnus en Capito te keer gaat. Wie heeft eigenlijk baat bij de misdaad? In §84 en 86 komt Cicero hierop met de beroemde vraag cui bono? terug.