Argumentatio-2

Paragraaf 111

in privatis rebus si qui rem mandatam non modo malitiosius gessisset sui quaestus aut commodi causa verum etiam neglegentius, eum maiores summum admisisse dedecus existimabant. itaque mandati constitutum est iudicium non minus turpe quam furti, credo, propterea quod quibus in rebus ipsi interesse non possumus, in eis operae nostrae vicaria fides amicorum supponitur; quam qui laedit, oppugnat omnium commune praesidium et, quantum in ipso est, disturbat vitae societatem. non enim possumus omnia per nos agere; alius in alia est re magis utilis. idcirco amicitiae comparantur ut commune commodum mutuis officiis gubernetur. 

 

De volgende alinea’s bevatten een argumentatie a fortiori waarin minder zware omstandigheden (privézaken; onzorgvuldig handelen) als strafbaar bestempeld worden en dan gevraagd wordt of zwaardere omstandigheden (publieke opdracht; bewust misleiden) niet des te meer straf verdienen. Hiervoor begint Cicero met een digressio (uitweiding) over het grote belang van betrouwbaarheid (fides) en vriendschap (amicitia) voor het behoud van een functionerende samenleving. De uitweiding gaat tot §113 door.

si qui: hiermee maakt Cicero de overgang van specifiek (het bedrog van Capito) naar algemeen (qui [= aliquis]).

quem qui laedit, oppugnat omnium: de dubbele allitteratie benadrukt de kernzin van deze alinea: betrouwbaarheid en vriendschap zijn onmisbaar voor een samenleving; wie die schendt, die vernietigt de samenleving zelf, die de basis is van het menselijke bestaan (vitae societas). Dit is een pathetische bewering die beoogt Capito buiten de groep van goede medeburgers te zetten.

non enim … utilis: in algemene termen geformuleerd argument (een thesis, zie thema stijlfiguren).

commune commodum: de alliteratie versterkt ook hier de boodschap. De alinea staat bol van de algemeenheden over het nut van vriendschap. Op het eind van zijn leven zou Cicero overigens nog een werk schrijven Over Vriendschap (De amicitia). 

in privatis rebus: Capito was juist niet voor privézaken naar Chrysogonus gegaan, maar door de stad erheen gestuurd als lid van een gezantschap (zie ook retorica).

rem mandatam: een mandatum was een contract waarin iemand (mandatarius, de lasthebber) op verzoek van een ander (mandator, de lastgever) beloofde iets te doen of te geven. De lastgever was hiervoor geen tegenprestatie verschuldigd. Oorspronkelijk was het namelijk alleen bestemd om verplichtingen te sanctioneren die men als vriendendienst voor een ander op zich had genomen. Als de lasthebber zijn verplichtingen niet nakwam, dan was hij in rechte aansprakelijk met een actio of iudicium mandati. Een veroordeling leidde tot infamia, hetgeen verlies van burgerrechten betekende. In §§111-112 wijdt Cicero uit over mandatum en over  het belang van eer en vertrouwen in dit private contract, als inleiding op het publieke mandaat dat Capito kreeg als lid van het gezantschap – en beschaamde.

iudicium constitutum: een proces wegens (private) lastgeving was even schandelijk als een proces wegens diefstal (zie ook §113: infamia). Capito was echter in het publieke belang naar Chrysogonus gestuurd, wat zijn bedrog nog erger maakt.

fides amicorum: twee belangrijke en moeilijk te vertalen begrippen. Fides is alles wat met trouw en betrouwbaarheid te maken heeft. Amicitia was veel meer dan wat wij vandaag vriendschap noemen en omvatte ook sociale relaties die men voor de financiële winst of voor politiek voordeel aanging. Het is belangrijk te beseffen dat amicitia weliswaar een informele band was, maar dat het toch van groot belang was om vrienden niet teleur te stellen. Men kon zich dus grotendeels op vrienden verlaten. Hierop berustte het systeem van patronage dat een drijfveer van de Romeinse samenleving was. In §111 noemt Cicero fides en amicitia res sanctissimae (zie ook het thema amicitia).

sui quaestus aut commodi causa: de woorden zijn vrijwel synoniem (‘voor eigen winst en voordeel’).

existimabant: na de irrealis in de si-bijzin (gessissent) verwachten we een irrealis in de hoofdzin; in plaats daarvan volgt een indicativus (existimabant), waarmee Cicero de beschreven reactie van de voorouders (maiores) in een dergelijke situatie als feit presenteert.

mandati ... iudicium: ‘een proces wegens (het onjuist uitvoeren van) een mandaat’. 

non minus turpe quam furti: ‘niet minder schandelijk dan [een proces] wegens diefstal’; we moeten dus in gedachten iudicium aanvullen.

quibus in rebus ... in eis: in schoolboeken wordt een dergelijke constructie, waarbij een relatieve bijzin voorafgaat aan een vorm van is/ea/id, soms geannoteerd in de trant van: “lees in eis rebus, in quibus”, maar het is eigenlijk beter om te zeggen dat in eis de relatieve bijzin herneemt (‘in welke zaken wij zelf geen rol kunnen spelen, daarin ...’).  

operae nostra vicaria: vicarius + gen. = ‘plaatsvervangend voor ...’ of ‘in plaats van ...’.

quam: sc. fidem.

quantum: ‘in zo verre (als), voorzover (als)’.

alius in alia ... re: ‘de een in deze, de ander in gene zaak’