Peroratio

Paragraaf 150

verum si a Chrysogono, iudices, non impetramus ut pecunia nostra contentus sit, vitam ne petat, si ille adduci non potest ut, cum ademerit nobis omnia quae nostra erant propria, ne lucem quoque hanc quae communis est eripere cupiat, si non satis habet avaritiam suam pecunia explere, nisi etiam crudelitati sanguis praebitus sit, unum perfugium, iudices, una spes reliqua est Sex. Roscio eadem quae rei publicae, vestra pristina bonitas et misericordia. quae si manet, salvi etiam nunc esse possumus; sin ea crudelitas quae hoc tempore in re publica versata est vestros quoque animos — id quod fieri profecto non potest — duriores acerbioresque reddit , actum est, iudices; inter feras satius est aetatem degere quam in hac tanta immanitate versari.  

Ter afsluiting van de redevoering appelleert Cicero heel direct en emotioneel aan de juryleden om zich aan de kant van moraal en recht te scharen door Roscius vrij te spreken (niet voor niets spreekt hij ze in deze paragraaf drie keer als iudices aan, zie §149). Het was niet ongebruikelijk om de jury zo persoonlijk toe te spreken en te vleien, dat paste bij de algemene regels over het gebruik van pathos (zie thema logos-ethos-pathos).

impetramus - nostra: Cicero spreekt nu in de eerste persoon meervoud en verbindt zichzelf daardoor heel nauw met zijn cliënt (anders dan bijv. in het laatste deel van de argumentatio, zie §129) – Cicero’s stem vormt als het ware een stereo-geluid. Hierdoor kan Cicero pathos veel effectiever inzetten: de juryleden worden aangespoord zich af te vragen of zij ook tot de wij-groep horen en of Chrysogonus als volgende stap misschien ook hun bezit en leven zou kunnen bedreigen.

quae communis est: dit is een typisch pathos-middel omdat het de wreedheid van Chrysogonus benadrukt die zelfs de meest natuurlijke rechten – die van iedereen zijn – van Roscius afpakken. Dit contrasteert met het individuele bezit van ieder afzonderlijk (propria).

sanguis praebitus est: de taal herinnert aan de beschrijving van een religieus offer (waar de dieren hun nek aan de bijl aanbieden, praebere): Roscius moet zijn leven op het altaar van Chrysogonus’ brutaliteit offeren.

spes … Sext. Roscio eadem quae rei publicae: Cicero stelt de zaak van Roscius nog eens heel direct gelijk aan het belang van de staat.

pristina bonitas – crudelitas quae hoc tempore: de antithese is niet alleen tussen goedheid en brutaliteit, maar ook tussen een schitterend verleden, dat als maatstaf genomen wordt, en het slechtere heden. De verwijzing naar de vroegere goedheid past goed bij de algemene Romeinse verering voor de mos maiorum.

inter feras: in §63 had Cicero menselijkheid met het gedrag van wilde beesten gecontrasteerd. Maar zelfs het leven onder wilde beesten is beter dan het leven onder Chrysogonus’ bewind (hier tanta immanitas genoemd); zie voor de wilde en woeste natuur van Chrsysogonus (fera immanisque natura) ook §146.

si a Chrysogono ... non impetramus: merk op dat hier een indicativus (realis) wordt gebruikt, waarmee Cicero deze voorwaarde als feit presenteert.

si non satis habet: satis habere = “als toereikend beschouwen, tevreden zijn” (zie Pinkster s.v. satis).

pecunia: abl. bij explere.

reddit: met dubbele acc. “maken (tot)” (zie Pinkster s.v. reddo 9).

satius est: “dan is het beter/voordeliger”; de comparativus wordt gevolgd door quam (“dan”).