Argumentatio-2

Paragraaf 108

age nunc ex ipsius Chrysogoni iudicio Rosciorum factum consideremus. si nihil in ista pugna Roscii quod operae pretium esset fecerant, quam ob causam a Chrysogono tantis praemiis donabantur? si nihil aliud fecerunt nisi rem detulerunt, nonne satis fuit eis gratias agi, denique, ut perliberaliter ageretur, honoris aliquid haberi? cur tria praedia tantae pecuniae statim Capitoni dantur? cur quae reliqua sunt iste T. Roscius omnia cum Chrysogono communiter possidet? nonne perspicuum est, iudices, has manubias Rosciis Chrysogonum re cognita concessisse?

 

pugna: al in de paragraaf hiervoor had Cicero over buit gesproken; door de zaak als een oorlog van de Titi Roscii tegen Sextus te framen (zie thema framing), benadrukt hij dat de Titi Roscii actieve spelers in deze zaak zijn en geenszins neutrale getuigen. Bovendien roept het frame de brutaliteit in herinnering waarmee de Titi Roscii opereren (zie ook §87).

si nihil – si nihil: met deze anafoor benadrukt Cicero hoe onwaarschijnlijk het is dat de Roscii onschuldig zouden zijn. De wissel van plusquamperfectum fecerant naar perfectum fecerunt vergroot de urgentie van deze kwestie die (als perfectum uitgedrukt) nog steeds relevant voor het heden is.

manubiae: zet het frame van oorlog voort dat praeda en pugna al hadden opgeroepen. In tegenstelling tot praeda zijn de manubiae de buit van de generaal; Chrysogonus krijgt dus daarmee alvast impliciet de rol van aanvoerder toegedeeld.

cum Chrysogono communiter: alliteratie (niet helemaal zuiver door twee keer een niet geaspireerde c’s en een keer een wel geaspireerde te gebruiken). Hiermee benadrukt Cicero het verrassende en voor het publiek tot nu onbekende feit dat volgens hem Magnus en Chrysogonus als gedeelde bezitters van de landgoederen optreden (zie context). Dezelfde alliteratie wordt voortgezet in de volgende zin (cognita concessisse) en vormt daarmee een alliteratieketen die het hele argument structureert (zie §30).

perspicuum: het thema dat Cicero’s versie van de gebeurtenissen glashelder voor de rechters is, is al vaker langsgekomen (vgl. §98, 101, 102).

communiter possidet: Cicero beweert dat Chrysogonus en Magnus de overige landgoederen samen bezitten. Dit is op zich wel mogelijk, maar wat opvalt is dat Cicero eerder een andere juridische term gebruikt: in §21-28 wordt Capito als dominus aangemerkt, en Magnus samen met Chrysogonus ook. De dominus had het meest volledige recht, de possessor had de feitelijke macht en de wil die voor zichzelf uit te oefenen. In het begin van de redevoering dichtte Cicero dus aan Chrysogonus en Magnus een sterkere juridische positie toe dan hier.

factum: als zelfstandig naamwoord ‘daad, handeling’.

donabantur: donare + acc. + abl. = ‘iemand met iets begiftigen’.

nonne: dit vraagpartikel anticipeert op een positief antwoord (‘toch wel?’).

tantae pecuniae: gen. qualitatis ‘van zo’n grote (geld)waarde’.

quae reliqua sunt ... omnia: object van possidet.

iste T. Roscius: bedoeld is Magnus.

manubias: ‘(oorlogs)buit’. Het woord verwijst doorgaans naar de oorlogsbuit van militaire bevelhebber; indirect worden Capito en Magnus op deze manier voorgesteld als soldaten die onder Chrysogonus’ bevel staan.