Argumentatio-2

Paragraaf 83

venio nunc eo quo me non cupiditas ducit sed fides. nam si mihi liberet accusare, accusarem alios potius ex quibus possem crescere; quod certum est non facere, dum utrumvis licebit. is enim mihi videtur amplissimus qui sua virtute in altiorem locum pervenit, non qui ascendit per alterius incommodum et calamitatem. desinamus aliquando ea scrutari quae sunt inania; quaeramus ibi maleficium ubi et est et inveniri potest; iam intelleges, Eruci, certum crimen quam multis suspicionibus coarguatur, tametsi neque omnia dicam et leviter unum quidque tangam. neque enim id facerem, nisi necesse esset, et id erit signi me invitum facere, quod non persequar longius quam salus huius et mea fides postulabit. 

 

fides (2x): het begrip omlijst deze inleidende paragraaf en benadrukt dat Cicero de tegenaanklacht niet uit eigenbelang indient, maar uit loyaliteit (dat betekent fides hier).

accusare – accusarem: polyptoton (zie thema stijlfiguren) dat het eerdere punt versterkt. Cicero wil geen professionele aanklager zijn zoals Erucius omdat hij niet van het ongeluk van anderen wil profiteren (zie ook het latere me invitum facere). Zijn aanklacht is ingebed in zijn verdediging en dient de besluitvorming.

is enim …calamitatem: in algemene termen geformuleerd argument (een thesis, zie thema stijlfiguren).

certum crimen - coarguatur: de alliteratie benadrukt dat Cicero, in tegenstelling tot Erucius, een zeer gefundeerde aanklacht zal formuleren. Hij gebruikt het veel minder gebruikelijke compositum co-arguere (een intensivum) in plaats van arguere vooral om de alliteratie te versterken (een soort van ‘klankintensivering’)

salus huius et mea fides: chiasme (zie thema stijlfiguren) die de belangen van Cicero en zijn cliënt zichtbaar met elkaar verbindt.

Hier begint het tweede deel van de argumentatio dat Cicero al eerder heeft aangekondigd (zie §81 en ook al de partitio, §35). Hierbij draait Cicero de rollen om; hij is niet meer verdediger, maar aanklager. Zoiets noemt men in de retorische theorie een anticategoria. In deze alinea maakt hij duidelijk dat hij deze tegenaanklacht niet graag indient, maar dat zijn loyaliteit tegenover Roscius hem ertoe dwingt. Misschien is dit ook een manier om potentiële latere kritiek op deze manier van verdedigen voor te zijn.

utrumvis licebit: Cicero wil liever niet aanklagen dan aanklagen. Daadwerkelijk heeft Cicero in zijn leven veel vaker als verdediger dan als aanklager bij processen opgetreden.

qui sua virtute in altiorem locum pervenit: hier betekent de zin dat Cicero niet op kosten van anderen carriere wil maken. Maar voor een homo novus zoals Cicero, die niet op familiebanden kon rekenen, is dit ook een zelfverzekerde uitspraak: Cicero weet dat hij, als hij iets in Rome wil bereiken, dat door eigen verdienste moet bewerkstelligen.

eo, quo: bijwoorden (‘daarheen, waarheen’ of ‘tot dat punt, waartoe’).

crescere: hier in de betekenis ‘carrière maken’, maatschappelijk ‘klimmen’.

facere: vul als subjectsaccusativus in gedachten me aan. 

locum: het gaat hier niet om een fysieke plaats, maar om een maatschappelijke positie.

desinamus ... quaeramus: coni. adhortativus.

quam multis: ‘hoe veel’ (zie Pinkster s.v. quam I).

coarguatur: coni. in de indirecte vraagzin.

unum-quidque: de onzijdige vorm van unus-quisque (‘een-ieder’), dus ‘iedere zaak, ieder punt’.

id erit signi: het Latijn kan op twee manieren geconstrueerd worden: (1) erit signi als naamwoordelijk deel van het gezegde met een genitivus als naamwoordelijk deel (het schoolvoorbeeld van deze constructie is Verg. Aen. 1.33 tantae molis erat Romanam condere gentem); (2) signi als gen. partitivus bij id. Hoe dan ook, id anticipeert op de quod-bijzin waarin wordt geëxpliciteerd wat het ‘teken’ inhoudt.