Argumentatio-2

Paragraaf 122

quid igitur? Chrysogonus suine malefici occultandi causa quaestionem de eis haberi non vult? minime, iudices; non in omnes arbitror omnia convenire. ego in Chrysogono, quod ad me attinet, nihil eiusmodi suspicor; neque hoc mihi nunc primum in mentem venit dicere. meministis me ita distribuisse initio causam: in crimen cuius tota argumentatio permissa Erucio est, et in audaciam cuius partes Rosciis impositae sunt. quicquid malefici, sceleris, caedis erit, proprium id Rosciorum esse debebit. nimiam gratiam potentiamque Chrysogoni dicimus et nobis obstare et perferri nullo modo posse et a vobis, quoniam potestas data est, non modo infirmari verum etiam vindicari oportere. 

 

non in omnes … convenire omnia: een bekend spreekwoord.

distribuisse causam: zie §35 voor de driedeling van de argumentatio. Cicero roept hier de structuur van zijn betoog in herinnering en geeft aan dat hij op het punt staat om naar punt drie over te gaan.

maleficii, sceleris, caedis: het tricolon, verbonden met een inhoudelijke climax (zie thema stijlfiguren) bekrachtigt dat de Titi Roscii de schuldigen in deze zaak zijn.

obstare – perferri nullo modo posse – vindicari oportere: het tweede tricolon met climax geeft aan wat er mis is met Chrysogonus en dat de rechters door hun vonnis een symbolisch signaal tegen zijn overgrote en niet-legitieme macht in de staat kunnen geven.

in Chrysogono … nihil eiusmodi suspicor: Chrysogonus zal dus niet als verantwoordelijke voor de moord aangewezen worden – de verantwoordelijken hiervoor zijn de Titi Roscii.

potentiam – potestas: zie §6 voor het verschil tussen het negatieve potentia van Chrysogonus (macht zonder officiële functie in de staat) en de potestas van de rechters (macht ontleend aan de praetor; die benoemde hen in een concreet proces en machtigde hen om een bindend vonnis te geven); zie voor Chrysogonus’ potentia ook §35.

suine malefici occultandi causa: dominant gerundivum (‘wegens het verbergen van zijn eigen misdaad’ oftewel ‘om zijn eigen misdaad te verbergen’). Het vraagpartikel -ne hecht zich normaliter aan het eerste woord van de zin.  

mihi ... in mentem venit: lett. ‘het komt mij in de geest’, oftewel ‘ik kom op het idee’ of ‘het schiet me te binnen’ (zie Pinkster s.v. mens 8).

initio: ‘aan het begin’ (van deze redevoering).

in crimen ... et in audaciam: sc. causam distribui.

partes: ‘rollen’.

quidquid malefici, sceleris, caedis: gen. partitivus.

Rosciorum: proprium + gen.

potentiam: zie aantekening §35.

dicimus et ... et ... et: de drie geledingen van de a.c.i. worden stuk voor stuk met et geïntroduceerd, waarbij het derde en laatste lid zowel inhoudelijk als qua syntactische complexiteit een climax vormt (hier vinden we immers niet één maar twee infinitivi, infirmari en vindicari, die op hun beurt weer samenhangen met oportere).