Argumentatio-3

Paragraaf 134

Mitto hasce artis volgaris, coquos, pistores, lecticarios; animi et aurium causa tot homines habet ut cotidiano cantu vocum et nervorum et tibiarum nocturnisque conviviis tota vicinitas personet. in hac vita, iudices, quos sumptus cotidianos, quas effusiones fieri putatis, quae vero convivia? honesta, credo, in eius modi domo, si domus haec habenda est potius quam officina nequitiae ac deversorium flagitiorum omnium. 

 

artes vulgares: het woord ars betekent niet alleen kunst, maar elk gebied waarop men een vaardigheid kan verwerven (zie §118). Men kan dus best van de ars van een kok of bakker spreken; maar het begrip toe te passen op de taak van een draagstoeldrager is ironisch.

animi et aurium: de alliteratie (net zoals cotidiano cantu) markeert de overdreven luxe van Chrysogonus.

conviviis … vicinitas: veel i-klanken in deze woorden vallen op; een opstapeling van als scherpe klank ervaren ‘i’ werd als een vorm van cacofonie (zie thema stijlfiguren) beschouwd; hier zou het effect gepast zijn om de schelle nachtelijke muziek van Chrysogonus’ feestjes te verduidelijken.

quos sumptus … quae vero convivia: een tricolon dat ongebruikelijk is opgebouwd omdat het werkwoord al in de tweede colon staat, waardoor het derde daarna onverwacht en als verrassing volgt. Het derde colon krijgt zo meer nadruk, en Cicero gaat dan ook in de volgende zin met de convivia door.

honesta: natuurlijk is dit ironie, wat door het volgende credo en de rest van de zin wordt verduidelijkt. We kunnen ons voorstellen hoe dit door de actio (de eigenlije opvoering van de speech) versterkt werd: misschien heeft Cicero wel na in eiusmodi domo een pauze ingelast, het publiek even laten lachen en is toen met veel fellere stem met de rest van de zin doorgegaan.

coquos pistores lecticarios: rijke Romeinen hadden een heel leger slaven die vaak zeer gespecialiseerde taken uitvoerden (we weten van een brief van Seneca dat in de keizertijd slaven bestonden die alleen maar tijdens het diner gevogelte mochten trancheren).

cantu: we kunnen uit Cicero’s beschrijving opmaken dat het aan het begin van de eerste eeuw v.Chr. nog nauwelijks gebruikelijk was slaven te hebben die voor muzikaal vermaak zorgden. Dit werd blijkbaar als teken van on-Romeinse decadentie beschouwd. Maar misschien belangrijker is de retorische kant van de beschrijving: Chrysogonus’ luxe-leven contrasteert sterk met het sobere leven in overeenstemming met de oude mos maiorum dat vader en zoon Roscius in Ameria leidden (zie §26 en het thema stad en platteland).

mitto: hier in de betekenis ‘voorbijgaan aan’ (Pinkster s.v. mitto 17).

hasce: voor het suffix -ce zie §96 huiusce.

personet: per-sonare = ‘weerklinken’ (het woord heeft dus niets met het substantief persona te maken).

honesta: het adjectief voegt zich naar het laatste element van de voorafgaande opsomming (convivia).

eiusmodi: lett. ‘van dien aard’, oftewel ‘een dergelijk’, ‘zo’n’.

habenda est: hier hab─ôre in de betekenis ‘beschouwen als’ (‘als dit [tenminste] als huis beschouwd moet worden’).