Argumentatio-2

Paragraaf 84

causam tu nullam reperiebas in Sex. Roscio; at ego in T. Roscio reperio. tecum enim mihi res est, T. Rosci, quoniam istic sedes ac te palam adversarium esse profiteris. de Capitone post viderimus, si, quem ad modum paratum esse audio, testis prodierit; tum alias quoque suas palmas cognoscet de quibus me ne audisse quidem suspicatur. L. Cassius ille quem populus Romanus verissimum et sapientissimum iudicem putabat identidem in causis quaerere solebat 'cui bono' fuisset. sic vita hominum est ut ad maleficium nemo conetur sine spe atque emolumento accedere. 

 

tu – ego: sterk contrasterend gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden. Hiermee bereidt Cicero een alinea voor die uit veel contrasten bestaat.

reperiebas – reperio: het polyptoton (zie thema stijlfiguren) en het adversatieve at benadrukken opnieuw het verschil tussen Erucius’ en Cicero’s aanklacht (zie §83).

T. Roscio – T. Rosci: door de naam te herhalen versterkt Cicero het effect dat hij eerst over hem en dan tegen hem spreekt. Men moet zich voorstellen dat deze twee zinnen door de actio extra kracht kregen, bijvoorbeeld doordat Cicero zich plotseling naar Titus Roscius Magnus wendde en met een beschuldigende vinger op hem wees.

L. Cassius ille: hiermee haalt Cicero een exemplum uit het verleden aan (zie §65, context). De vraag cui bono die aan Cassius toegeschreven wordt, is een van de beroemdste citaten uit deze redevoering en speelt ook in de BBC film over de zaak een grote rol (zie §1).

de quibus me ne audisse quidem: het rijmeffect deme – ne (alle drie woorden hebben een lange –e–) maakt hoorbaar hoe zeer de Titi Roscii zich in Cicero hebben vergist.

istic sedes: blijkbaar was Titus Roscius Magnus als toehoorder naar de zitting gekomen en had als vertegenwoordiger van de tegenpartij (adversarius) een bijzondere (zit-)plaats in de subsellia toegewezen gekregen (zie §17). De meeste toeschouwers bij een proces zullen rondom de rechtbank hebben gestaan.

de Capitone – testis: T. Roscius Capito was, anders dan Roscius Magnus, door de aanklager als getuige aangemeld en zou later ondervraagd worden. Cicero schijnt hem hier een beetje te willen intimideren.

L. Cassius: L. Cassius Longinus Ravilla, een politicus uit de tweede eeuw v.Chr., was beroemd als strenge (z. §85) toch rechtvaardige rechter die vaak keihard de decadentie onder de upper class bestreed. Een vergelijkbaar geval van morele decadentie doet zich volgens Cicero ook bij dit proces voor.

causam tu nullam: door de woordschikking wordt nullam geaccentueerd.

reperiebas: het imperfectum geeft aan de de handeling geen eindpunt heeft bereikt; Erucius heeft immers geen bewijs kunnen vinden!

post: bijwoord (‘later’).

viderimus: “om Capito zullen we ons later bekommeren”; door een futurum exactum te gebruiken, een werkwoordstijd die de toekomstige handeling als “voltooid” voorstelt, stelt Cicero de toekomstige handeling als zekerheid voor. 

quem ad modum paratum esse audio: vul als subjectsaccusativus in gedachten eum aan: ‘zoals ik [hem] verneem gereed te zijn’, in goed Nederlands: ‘zoals hij, naar ik verneem, gereed is [te doen]’.

prodierit: futurum exactum van prod-ire (‘naar voren treden’)

palmas: ‘zegepalmen’ of ‘heldendaden’ (ironisch).

de quibus me ne audisse quidem suspicatur: ‘waarover hij mij vermoedt zelfs niet gehoord te hebben’, in goed Nederlands: ‘waarvan hij vermoedt dat ik er zelfs niet over gehoord heb’. Audisse is een verkorte vorm van audivisse, en ne X quidem betekent ‘zelfs niet X’.

cui bono fuisset: indirecte vraagzin, vandaar de coniunctivus. 

spe atque emolumento: atque koppelt de elementen nauwer aan elkaar dan bijvoorbeeld et; dat is ook logisch, want hier is sprake van een hendiadys (‘hoop en voordeel’ = ‘hoop op voordeel’), een stijlfiguur die in het Latijn overigens veel minder uitzonderlijk is dan in het Nederlands.