Argumentatio-3

Paragraaf 139

dum necesse erat resque ipsa cogebat, unus omnia poterat; qui postea quam magistratus creavit legesque constituit, sua cuique procuratio auctoritasque est restituta. quam si retinere volunt ei qui reciperarunt in perpetuum poterunt obtinere; sin has caedis et rapinas et hos tantos tamque profusos sumptus aut facient aut approbabunt — nolo in eos gravius quicquam ne ominis quidem causa dicere, unum hoc dico: nostri isti nobiles nisi vigilantes et boni et fortes et misericordes erunt, eis hominibus in quibus haec erunt ornamenta sua concedant necesse est. 

 

unus omnia poterat: hier doet Cicero het voorkomen alsof Sulla de absolute macht al kwijt is, hoewel hij nog steeds dictator is; in §131 heeft hij gezegd dat Sulla alleen bestuurt (solus regere). Zie ook context.

sua cuique … restituta: zie voor een vergelijkbare bewering §136.

retinere … reciperarunt / in perpetuum poterunt: twee alliteraties in deze zin maken het beroep op de rechters om de juiste kant te kiezen extra indringend.

sin has caedes … nolo in eos gravius: Cicero breekt de grammaticale constructie af en laat het gevolg van de si-zin impliciet: een aposiopesis. Het zou onbeschoft zijn om de adellijken in de staat zo direct te bedreigen; maar onuitgesproken is het dreigement toch voelbaar.

has caedes … sumptus: het tricolon crescens benadrukt nog eens hoe verwerpelijk het alternatief zou zijn.

dicere – dico: hier en in het vervolg gebruikt Cicero een cluster van het werkwoord dicere dat dan in §140 als dapper vrijuit spreken geconcretiseerd wordt. Het vrije woord als bescherming van de vrijheid in de staat was al in het exordium een belangrijk thema geweest (zie §3).

vigilantes et boni et fortes et misericordes: een polysyndeton (zie thema stijlfiguren); zoals vaker in deze speech gaat Cicero een stap verder dan een te verwachten tricolon door vier cola te noemen. Het appèl krijgt daardoor bijzonder veel nadruk.

magistratus creavit leges constituit: we moeten ons inderdaad Sulla’s dictatuur niet voorstellen als een tijd waarin de staat verder niet funcioneerde: er waren nog steeds consuls en andere magistraten; maar Sulla had nog steeds het absolute opperbevel over de staat: hij had de macht om bestuurders te benoemen en wetten te maken.

nostri isti nobiles … necesse est: sinds de tweede eeuw v.Chr. hadden verschillende politici geprobeerd de macht van de ridders (equites) en van het volk te vergroten door de adellijken bepaalde rechten af te pakken, o.a. het recht om als rechters op te treden. Sulla had met zijn wetten ervoor gezorgd dat dat niet doorging. Cicero dreigt hier dat, als de adellijke senatoren zich niet genoeg voor het algemeen welzijn inzetten; de ridders deze taak zouden kunnen overnemen en de eenheid tussen de twee standen daarmee in gevaar zouden brengen.

qui posteaquam: vanwege de relatieve aansluiting is het voegwoord (‘nadat’) naar de tweede plaats geschoven; in het Nederlands volgt na ‘nadat’ doorgaans een “plusquamperfectum”, in het Latijn volgt na post(ea)quam vrijwel altijd een perfectum.

magistratus: acc. pl. m. (vierde declinatie).

cuique: ‘voor eenieder’, vgl. het beroemde suum cuique (‘ieder het zijne’).

quam: verwijst terug naar procuratio auctoritasque (als hendiadys wellicht als enkelvoud ervaren).

reciperarunt: = reciperaverunt (syncope); recuperare (met een -u-) komt beduidend vaker voor.

approbabunt – : Cicero maakt zijn zin niet af (aposiopesis).

gravius quicquam: ‘een ernstiger iets’ oftewel ‘iets ernstigers’; quicquam i.p.v. aliquid vanwege de negatie in nolo (vgl. §138 quisquam).

nostri isti nobiles nisi: als topic van de zin gaat nostri isti nobiles logischerwijs vooraf aan het voegwoord (‘wat die edelen van ons betreft, als ze niet ...’).

iis hominibus ... ornamenta sua concedant: bijzin ondergeschikt aan necesse est (vgl. §87); iis hominibus is dativus bij concedant.

in quibus haec erunt: ‘in wie deze (eigenschappen) (wel) (aanwezig) zullen zijn’.