Argumentatio-2

Paragraaf 120

res porro abs te eius modi postulabatur ut nihil interesset, utrum eam rem recusares an de maleficio confiterere. quae cum ita sint, quaero abs te quam ob causam recusaris. cum occiditur Sex. Roscius ibidem fuerunt. servos ipsos, quod ad me attinet, neque arguo neque purgo; quod a vobis oppugnari video ne in quaestionem dentur, suspiciosum est; quod vero apud vos ipsos in honore tanto sunt, profecto necesse est sciant aliquid, quod si dixerint perniciosum vobis futurum sit. — in dominos quaeri de servis iniquum est. — at non quaeritur; Sex. enim Roscius reus est neque, cum de hoc quaeritur, in dominos quaeritur; vos enim dominos esse dicitis. — cum Chrysogono sunt. — ita credo; litteris eorum et urbanitate Chrysogonus ducitur ut inter suos omnium deliciarum atque omnium artium puerulos ex tot elegantissimis familiis lectos velit hos versari, homines paene operarios, ex Amerina disciplina patris familiae rusticani. 

 

Vertaling

Het verzoek dat aan u gedaan werd was van dien aard dat weigering ervan gelijk zou staan aan het bekennen van de misdaad. Nu deze dingen zo liggen, vraag ik u waarom u het weigert. Toen Sextus Roscius vermoord werd waren zij ter plekke. De slaven zelf ga ik wat mij betreft niet aanklagen of vrijspreken. Maar dat ik zie dat jullie je ertegen verzetten dat ze worden ondervraagd, dat is verdacht. Omdat jullie hen zo ontzien, moeten ze beslist iets weten dat wanneer ze het zouden zeggen, voor jullie schadelijk zou zijn. ‘Het is niet fair om slaven tegen hun meesters aan een verhoor te onderwerpen.’ Maar daarvan is geen sprake. Want Sextus Roscius is de beklaagde en als hierover een verhoor plaatsvindt, dan niet tegen de meesters, want jullie zeggen dat jullie de meesters zijn. ‘Ze behoren toe aan Chrysogonus.’ Dat is vast zo, ik neem het aan. Door hun geletterdheid en hun verfijnde manieren wordt Chrysogonus ertoe gebracht te willen dat zij zich onder zijn jonge slaven bevinden die thuis zijn in alle mogelijke genietingen en kunsten en die hij uit de meest verfijnde families heeft uitgekozen, terwijl zij weinig meer dan dagloners zijn, in Ameria opgeleid bij een plattelandsfamilie.

‘in dominos quaeri…’: Cicero gebruikt wederom het inmiddels beproefde middel van de altercatio (zie §43).

quaeritur (3x): de woordherhaling versterkt Cicero’s clou (zie context) dat de slaven juist tegen Magnus en Capito zouden getuigen, iets wat de twee Titi Roscii in ieder geval willen voorkomen.

litteris et urbanitate … rusticani: ironie; waarom zou de verfijnde nouveau riche Chrysogonus belangstelling hebben voor de slaven van de boerse Sextus Roscius, terwijl hij zelf zeker geen gebrek aan cultureel beter opgeleide slaven had? De ironie wordt versterkt door de antithese deliciae/elegantissimae familiae vs. operarii/rusticani (zie thema stad en platteland).

cum Chrysogono sunt: vanaf §124 zal Cicero de rol van Chrysogonus nader belichten; deze en de volgende paragrafen dienen hiervoor als voorbereiding en overgang.

res: neemt het derde deel van de driedelige vraag uit §119 op.

ibidem fuerunt: vul aan ‘de slaven’, die dus ooggetuigen van de moord geweest zijn. Hen niet te horen zou een onbegrijpelijke procedurele fout zijn.

neque arguo neque purgo: Cicero laat buiten beschouwing of de slaven potentieel niet alleen getuigen, maar zelfs medeplichtig aan de moord konden zijn geweest (zie voor een vergelijkbaar argument §97). In ieder geval, zo wordt uit het vervolg duidelijk, zouden ze iets weten (sciant) wat belastend materiaal tegen de Titi Roscii zou opleveren.

in dominos – iniquum est: zie §119. Maar omdat de goederen van vader Roscius ondertussen aan de Titi Roscii behoren, zijn zij ook de nieuwe meesters van de slaven geworden; zij zouden dus niet meer tegen hun eigenaar getuigen als ze over Sextus Roscius spreken. Nu blijkt echter dat Cicero de hele tijd al een ingenieus spel met de toehoorders heeft gespeeld: in werkelijkheid zouden ze natuurlijk juist wel tegen hun eigenaars getuigen als ze gehoord werden, omdat zij de schuld van Magnus en Capito zouden bevestigen.

abs te: ‘van u’, niet ‘door u’.

res ... eiusmodi: ‘een zaak van dien aard’ oftewel ‘een dergelijke zaak’.

nihil interesset: nihil interest betekent ‘het maakt geen verschil’, ‘het doet er niet toe’.

utrum ... recusares an ... confiterere: tweeledige indirecte vraagzin (vandaar de coni.) afhankelijk van nihil interesset (vgl. §47).

confiterere: = confitereris, coni. imperf. van het deponens confiteri.

recusaris: = recusaveris (syncope).

occiditur: praes. historicum.

quod ad me attinet: ‘wat mij betreft’.

quod a vobis: ‘(het feit) dat ...’; de quod-zin is in zijn geheel het subject van suspiciosum est.

si dixerint: coni. perf. of fut. ex.? Deze vraag is lastig te beantwoorden, omdat het Latijnse fut. ex. zich in feite uit de coni. perf. ontwikkeld heeft: als we een uitspraak over de toekomst doen, dan gaat het immers niet om een gebeurtenis die feitelijk plaatsvindt (of heeft plaatsgevonden), maar om een mogelijke gebeurtenis – en daarvoor gebruikt het Latijn de coniunctivus. De keuze voor de coniunctivus perfecti is ook begrijpelijk, omdat het perfectum (= exactum) aangeeft dat de gebeurtenis voortijdig is ten opzichte van een andere gebeurtenis (doorgaans uitgedrukt met een gewoon futurum). 

futurum sit: het Latijn kent geen aparte coni. futuri, maar deze kan wel, zoals hier, worden gevormd door een coni. van esse en een participium fut. (pfa). 

in dominos quaeri de servis: zie Pinkster s.v. quaero 5.

litteris: ‘belezenheid’, zie Pinkster s.v. littera 4h.

ut ... velit hos versari: dit is de kern van de bijzin; de overige woorden vormen één grote voorzetselgroep bij inter.