Argumentatio-2

Paragraaf 96

occiso sex. Roscio quis primus Ameriam nuntiat? Mallius Glaucia, quem iam antea nominavi, tuus cliens et familiaris. quid attinuit eum potissimum nuntiare quod, si nullum iam ante consilium de morte ac de bonis eius inieras nullamque societatem neque sceleris neque praemi cum homine ullo coieras, ad te minime omnium pertinebat? — Sua sponte Mallius nuntiat. — quid, quaeso, eius intererat? an, cum Ameriam non huiusce rei causa venisset, casu accidit ut id quod Romae audierat primus nuntiaret? cuius rei causa venerat Ameriam? 'non possum' inquit 'divinare.' eo rem iam adducam ut nihil divinatione opus sit. qua ratione T. Roscio Capitoni primo nuntiavit? cum Ameriae Sex. Rosci domus uxor liberique essent, cum tot propinqui cognatique optime convenientes, qua ratione factum est ut iste tuus cliens, sceleris tui nuntius, T. Roscio Capitoni potissimum nuntiaret?

 

De alinea zit vol met retorische vragen die eerder suggereren en insinueren dan bewijzen. Ze zijn bedoeld om de stemming van de jury te beïnvloeden. Zijn argumentatie focust hier dus op het (negatieve) ethos van de tegenstanders en niet op logos (zie thema logos-ethos-pathos). Bovendien vervolgt Cicero in deze alinea de altercatio (zie §94), maar nu spreekt hij als zichzelf.

causa – casu – causa: de herhaling van causa en de assonantie met het daartussen geplaatste casu versterkt de tegenstelling; Cicero wil natuurlijk duidelijk maken dat Glaucia om een bepaalde reden naar Ameria kwam, niet puur toevallig.

T. Roscio Capitone: Capito’s naam is al sinds §84 niet meer genoemd (hoewel hij natuurlijk steeds als er sprake was van ‘de makkers’ ook geacht werd daarbij te horen). Hier wordt de naam twee keer plechtig (volledig met de tria nomina) weer in herinnering geroepen.

sceleris tui nuntius: bijna een beetje verstopt in de zin zegt Cicero hier dat volgens hem Magnus aan Glaucia de opdracht heeft gegeven naar Ameria te gaan. Zie ook §98. Het is de eerste keer dat Cicero de beschuldiging richting Magnus expliciet maakt en hij zal dat blijven herhalen.

Mallius Glaucia: is al in §19 geïntroduceerd als cliens van Magnus.

nullamque societatem … cum homine ullo coieras: in §21 stelde Cicero dat Titus Roscius de maatschap of beter het complot om het vermogen van Roscius sr. in te pikken en te verdelen pas tijdens het bezoek aan Chrysogonus in Volaterrae had gesmeed, hier suggereert hij dat dit al voor de moord was gebeurd.

domus uxor liberique: schijnt bijna zo spreekwoordelijk als het Nederlandse ‘huisje boompje beestje’ (het komt ook in andere teksten uit de tweede en eerste eeuw v.Chr. voor). De pluralis liberi staat hier als plurale tantum en betekent niet expliciet dat de aangeklaagde nog broers of zussen had. Dit is overigens de eerste en enige keer dat Cicero melding maakt van vrouw en kinderen van Roscius sr., afgezien van de vooroverleden zoon (zie §42). 

propinqui cognatique: met de eerste term worden familieleden in het algemeen aangeduid, cognati zijn specifiek bloedverwanten.

quod: ‘gelet op het feit dat’

consilium ... inieras: consilium inire = ‘een plan smeden’

eius intererat: interest = ‘het is van belang’; in wiens belang het is, staat in de gen.

huiusce: versterkte vorm van huius (de c van het suffix -ce vinden we in veel vormen van hic, haec, hoc terug, bijv. hunc < *hum-ce).  

accidit: het subject hiervan is de bijzin ut ... nuntiaret.

Romae: locativus (evenals Ameriae verderop).

eo: ‘daarheen, tot dat punt’ (bijwoord).

divinatione opus sit: opus est = ‘het is nodig’; wat er nodig is, staat in de abl.