Argumentatio-3

Paragraaf 124

venio nunc ad illud nomen aureum Chrysogoni sub quo nomine tota societas latuit; de quo, iudices, neque quo modo dicam neque quo modo taceam reperire possum. si enim taceo, vel maximam partem relinquo; sin autem dico, vereor ne non ille solus, id quod ad me nihil attinet, sed alii quoque plures laesos se putent. tametsi ita se res habet ut mihi in communem causam sectorum dicendum nihil magno opere videatur; haec enim causa nova profecto et singularis est. 

 

venio nunc: in de partitio had Cicero al aangegeven dat hij ten derde zou spreken over Chrysogonus als iemand die door potentia machtig is (zie commentaar bij §6).

illud nomen aureum: hier noemt hij niet de naam van Chrysogonus, maar omschrijft hem door het eerste deel van zijn naam (chrysos = Grieks voor goud) te vertalen. Hoe origineel Cicero’s toespeling op zijn naam is, weten we niet (illud markeert dat het publiek de naam kende), maar door te verwijzen creeërt Cicero een band met zijn publiek. In ieder geval is de naam toepasselijk voor de schatrijke Chrysogonus.

dicam/taceam – taceo/dico: chiasme (zie thema stijlfiguren) waarbij het door Cicero uiteindelijk gekozen ‘spreken’ (dicere) gemarkeerd aan het begin en einde staat.

societas: de maatschap van de Titi Roscii en Chrysogonus was al vaak ter sprake gekomen, zie §20 en §86.

quomodo dicam – quomodo taceam: het thema van zwijgen en spreken is vanaf het begin van deze speech al belangrijk geweest (zie §2); spreken wordt door Cicero met de waarheid, maar ook met gevaar voor de spreker geassocieerd; zwijgen daarentegen staat voor het zich verstopt houden wegens de gevaarlijke politieke omstandigheden; zie ook §125.

alii plures: wie deze mensen zijn, laat Cicero in het midden, maar natuurlijk begrijpt de toehoorder dat Sulla (en zijn entourage) hiermee bedoeld wordt. Zie §89 en §130 voor Sulla’s zogenaamde onwetendheid van de hele zaak.

venio ... ad: zie Pinkster s.v. venio 11.

illud nomen ... sub quo nomine: voor de formulering vergelijk res ... quam ob rem in § 8.

vereor ne: ‘ik vrees dat’; in het Latijn volgt na zgn. verba timendi het voegwoord ne (men hoopt immers dat de inhoud van de bijzin geen werkelijkheid wordt).

ita se res habet: ‘de zaak staat er zo voor’ (zie Pinkster s.v. habeo 10).

mihi: dativus auctoris bij het gerundivum van verplichting dicendum [esse].

sectorum: een sector is een ‘opkoper (van goederen)’.

nova: novus betekent vaak ‘nieuw’ in de zin van ‘ongewoon’ of ‘zonder precedent’.