Argumentatio-3

Paragraaf 129

verum quaeso a vobis, iudices, ut haec pauca quae restant ita audiatis ut partim me dicere pro me ipso putetis, partim pro Sex. Roscio. quae enim mihi ipsi indigna et intolerabilia videntur quaeque ad omnis, nisi providemus, arbitror pertinere, ea pro me ipso ex animi mei sensu ac dolore pronuntio; quae ad huius vitae casum causamque pertinent et quid hic pro se dici velit et qua condicione contentus sit iam in extrema oratione nostra, iudices, audietis.

 

haec pauca quae restant – extrema oratione: na een al vrij lange speech geeft Cicero aan dat hij niet meer heel lang zal spreken – ook vandaag de dag nog een vaak door sprekers gebruikt middel om opkomende vermoeidheid van het publiek tegen te gaan.

pro me ipso: Cicero verbindt hier zijn eigen belangen met die van zijn cliënt. Dat werd in de retoricahandboeken als handig trucje aangeleerd. Hier benadrukt Cicero echter dat de zaak niet alleen de moord betreft, maar ook de politieke toestand in Rome en daarom voor hem en iedereen (ad omnes … pertinere) belangrijk is, zie ook de peroratio §150ff.

providemus – pertinere – pronuntio: de alliteratie van de drie werkwoorden benadrukt het punt dat Cicero wil maken, namelijk dat deze zaak niet alleen om de moord op Roscius draait, maar een politieke zaak is.

ex animi mei … dolore: het benoemen van het eigen verdriet is een pathos-middel om ook het publiek te emotioneren (zie thema logos-ethos-pathos). Cicero varieert hier de bekende formule ex animi mei sententia.

quaeso: oude vorm van quaero (de intervocale -s- is in het Latijn doorgaans in een -r- veranderd, getuige bijv. *corposis > corporis of *honosis > honoris). 

quaeque: geen vorm van quisque maar = et quae. Er is sprake van zgn. “relative Verschränkung” (vgl. §151): “en welke dingen ik meen allen te raken” oftewel “en de dingen waarvan ik meen dat ze allen raken”.

in extrema oratione nostra: ‘in het slot van mijn redevoering’ (het adjectief extrema is dominant gebruikt).