Argumentatio-3

Paragraaf 137

quod animadversum est in eos qui contra omni ratione pugnarunt, non debeo reprehendere; quod viris fortibus quorum opera eximia in rebus gerendis exstitit honos habitus est, laudo. quae ut fierent idcirco pugnatum esse arbitror meque in eo studio partium fuisse confiteor. sin autem id actum est et idcirco arma sumpta sunt ut homines postremi pecuniis alienis locupletarentur et in fortunas unius cuiusque impetum facerent, et id non modo re prohibere non licet sed ne verbis quidem vituperare, tum vero in isto bello non recreatus neque restitutus sed subactus oppressusque populus Romanus est. 

 

animadversum est: door het onpersoonlijke passief kan Cicero vermijden Sulla als aanstichter van de proscriptie te noemen.

contra omni ratione: zet het zwartmaken van Marius’ aanhangers voort (zie §136).

studio partium: een slimme woordkeuze: in §136 heeft Cicero gezegd dat Sulla door het studium populi Romani gesteund werd; zijn eigen inzet is dus onderdeel van deze inzet van het hele volk.

homines postremi pecuniis alienis: de alliteratie versterkt de al heel negatieve karakterisering van de profiteurs van de oorlog zoals Chrysogonus.

non recreatus neque restitutus: de alliteratie versterkt nog eens de lof voor Sulla’s daden die met zijn dictatuur de oude tijd weer hersteld heeft (re-). Het op het eerste gezicht verrassende idee dat men door een burgeroorlog de staat en het volk kan herstellen, heeft Augustus later weer opgenomen toen hij zijn heerschappij (incl. de burgeroorlog tegen Marcus Antonius) als het herstellen (restituere) van de res publica beschreef.

animadversum est .. in eos: animadvertere in + acc. = ‘optreden tegen’.

contra: als voorzetsel regeert contra de accusatief, dus contra is hier een bijwoord (‘ertegen’, d.w.z. tegen Sulla en de nobiles).

pugnarunt: gesyncopeerde vorm van pugnaverunt (vgl. bijv. norunt in §136).

quod viris fortibus ... honos habitus est: ‘dat aan dappere mannen eer bewezen is’; deze (factieve) quod-zin vormt het object van laudo.

quorum opera eximia ... exsitit: ‘wier uitzonderlijke moeite uitblonk’, waarbij eximia allicht predicatief moet worden opgevat (‘uitzonderlijk als zij was’).

idcirco: herneemt quae ut fierent (‘Om die dingen te bereiken, dáárom is er gestreden, meen ik’).

postremi: hier in overdrachtelijke zin ‘geringste, slechtste’.

locupletarentur: passief ‘verrijkt werden’ of reflexief ‘zich verrijkten’.

fortunas: ‘bezittingen, vermogen’ (zie Pinkster s.v. fortuna 7).

re ... verbis: soms drukt dit woordpaar een tegenstelling uit tussen woord en werkelijkheid, hier een tegenstelling tussen woord en daad (vgl. Grieks ἔργῳ en λόγῳ); re betekent hier dus ‘metterdaad’.