Argumentatio-3

Paragraaf 136

sciunt ei qui me norunt me pro mea tenui infirmaque parte, postea quam id quod maxime volui fieri non potuit, ut componeretur, id maxime defendisse ut ei vincerent qui vicerunt. quis enim erat qui non videret humilitatem cum dignitate de amplitudine contendere? quo in certamine perditi civis erat non se ad eos iungere quibus incolumibus et domi dignitas et foris auctoritas retineretur. quae perfecta esse et suum cuique honorem et gradum redditum gaudeo, iudices, vehementerque laetor eaque omnia deorum voluntate, studio populi Romani, consilio et imperio et felicitate L. Sullae gesta esse intellego. 

 

ut ii vincerent qui vicerunt: door de woordherhaling en assonantie (zie thema stijlfiguren) suggereert Cicero alvast dat hij er nooit aan getwijfeld heeft dat Sulla in de burgeroorlog de overwinning zou behalen.

humilitatem – dignitatem – amplitudinem: drie wel gekozen begrippen. Marius had de steun van de populares, dus het volk, dat hier met humilis (‘laag’) aangeduid wordt, terwijl dignitas aan de senaatspartij (de optimates) refereert. De twee termen hebben echter ook een waardeoordeel, wat bij Cicero’s idee past dat Sulla sowieso moest winnen. Het doel van de burgeroorlog wordt hier niet met macht, maar met ‘uitbreiding van invloed’ (amplitudo) omschreven, wat minder erg klinkt en Sulla minder als egoïstische machtspoliticus doet overkomen (in §2 staat amplitudo als synoniem voor auctoritas). Hierbij past ook dat in de volgende zin de oorlog als certamen (een soort persoonlijke wedstrijd om eer) wordt aangeduid.

perditi civis … non se iungere: Cicero drukt het hier als een negatieve keuze uit (in plaats van te zeggen “het was de keuze van elke goede mens”), waardoor hij de tegenpartij, de aanhangers van Marius, zwart maakt; zij zijn burgers die de foute keuze hebben gemaakt, namelijk de staat te schaden.

domi dignitas: de alliteratie geeft aan dat Sulla de aan hem en zijn partij behorende dignitas (zie boven) nu tot alle Romeinen heeft uitgebreid.

deorum voluntate … felicitate L. Sullae: een tricolon crescens waarbij het derde colon opnieuw door een tricolon gevormd wordt. Dat maakt deze zin (en Sulla’s lof) bijzonder verheven. Inhoudelijk lijkt de rij een anticlimax (goden, volk, Sulla), maar het veel grotere laatste colon maakt het einde toch ook een climax, des te meer omdat Cicero de zin afsluit met een verwijzing naar Sulla’s bijnaam Felix. Het effect is dat Sulla op dezelfde hoogte als de goden staat, net zoals in §131.

Cicero herinnert in deze alinea aan zijn steun voor Sulla in de burgeroorlog tussen Sulla en Marius (88-82 v.Chr., met onderbrekingen), ook al heeft hij niet meegevochten (zie §142 en thema Sulla). Hierbij gaat Cicero heel ver in het zwartmaken van Marius, die hij in latere speeches vaak als positief exemplum en zelfs een rolmodel voor zichzelf gebruikte (Marius was net zoals Cicero een homo novus). De overdreven enthousiaste lof voor Sulla laat zich met diens dictatuur verklaren waarin de gewone regels van de republiek niet meer golden (zie ook §131).

componeretur: Cicero kiest in deze speech al een rol voor zichzelf die hij ook in de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius wilde spelen (echter zonder succes): die van bemiddelaar en man van vrede.

suum cuique honorem et gradum: dit is in zijn algemeenheid eufemistisch uitgedrukt omdat het de slachtoffers van de proscripties niet benoemt, die hun ambt en rang voor altijd verloren hebben (zij worden in §137 wel genoemd).

ciunt: hiervan afhankelijk de a.c.i. me ... defendisse.

norunt: gesyncopeerde vorm van noverunt.

id quod maxime volui: geëxpliciteerd in ut componeretur.

humilitatem cum dignitate ... contendere: abstractum pro concreto.

quo in certamine: ‘In dit conflict’ (relatieve aansluiting).

perditi civis erat non se ad eos iungere: de gen. perditi civis fungeert hier als predicaatsnomen (naamwoordelijke deel van het gezegde); vgl. bijv. virtutis est nihil timÄ“re ‘het is eigen aan dapperheid / het hoort bij dapperheid om niets te vrezen’.

ad eos, quibus incolumibus: het relativum maakt onderdeel uit van een abl. absolutus (een vorm van zgn. relative Verschränkung; zie §151), waardoor de zin erg lastig te vertalen is. Letterlijk staat er: ‘bij hen, welke ongedeerd [zijnde] zowel  X als Y behouden werd’.