Argumentatio-3

Paragraaf 142

si id actum est, fateor me errasse qui hoc maluerim, fateor insanisse qui cum illis senserim; tametsi inermis, iudices, sensi. sin autem victoria nobilium ornamento atque emolumento rei publicae populoque Romano debet esse, tum vero optimo et nobilissimo cuique meam orationem gratissimam esse oportet. quod si quis est qui et se et causam laedi putet, cum Chrysogonus vituperetur, is causam ignorat, se ipsum probe novit; causa enim splendidior fiet, si nequissimo cuique resistetur, ille improbissimus Chrysogoni fautor qui sibi cum illo rationem communicatam putat laeditur, cum ab hoc splendore causae separatur.

 

optimo … gratissimam: door de superlativi verbindt Cicero zijn verdediging met de belangen van de nobiles en daarmee ook met de zaak van de optimates; dat heeft hij vanaf de eerste zin gedaan (zie §1a).

quod si quis est qui: de qu-alliteratie versterkt het onbepaalde van de zin. Cicero houdt het hier zeer algemeen; elk jurylid moet zich afvragen of hij wel zo iemand is. Voor het thema zie §138.

causa (2x) – causam – causae: viervoudige herhaling van de term causa. De zaak van de nobilitas krijgt in deze zin veel glans toegeschreven (twee keer verbonden met splendidus/splendor). De glans moet echter door het besluit van de rechters veilig gesteld worden.

nequissimo – improbissimus: de twee superlativi zetten een rechter die potentieel een andere mening is toegedaan dan Cicero heeft bepleit, als verdorven neer. nequissimus quisque contrasteert met optimus et nobilissimus quisque (de juiste vertegenwoordiger van de nobilitas).

inermis: Cicero voorkomt mogelijke kritiek van de tegenstanders dat hij niet letterlijk aan de kant van Sulla heeft gevochten door te zeggen dat hij hem in de geest heeft gesteund; dit is een potentieel zwak argument omdat het vrij makkelijk is zo iets te beweren (zie ook §136 pro mea parte en thema framing).

actum est: zie Pinkster s.v. ago 2 (e).

errasse: gesyncopeerde vorm van erravisse.

hoc: ‘deze situatie’, i.e. de overwinning van de nobiles.

ornamento atque emolumento: dat. finalis.

quodsi quis est qui ... putet: ‘maar als er iemand is die meent’. quis = aliquis (nach si, nisi, ne und num fällt der kleine ali um); de coni. in de relatieve bijzin is definiërend.  

sibi: dat. possessivus; sc. esse (‘die meent dat er voor zich(zelf) met hem een gemeenschappelijk belang is’, oftewel ‘die meent dat hij ... heeft’).