Argumentatio-3

Paragraaf 125

bonorum Sex. Rosci emptor est Chrysogonus. primum hoc videamus: eius hominis bona qua ratione venierunt aut quo modo venire potuerunt? atque hoc non ita quaeram, iudices, ut id dicam esse indignum, hominis innocentis bona venisse — si enim haec audientur ac libere dicentur, non fuit tantus homo Sex. Roscius in civitate ut de eo potissimum conqueramur — verum ego hoc quaero: qui potuerunt ista ipsa lege quae de proscriptione est, sive Valeria est sive Cornelia — non enim novi nec scio — verum ista ipsa lege bona Sex. Rosci venire qui potuerunt? 

 

Chrysogonus: de naam wordt hier voor het eerst in dit gedeelte uitgesproken, gemarkeerd door de eindpositie in de zin (en voorafgegaan door de alliteratie emptor est, die een soort van opmaat vormt en de spanning verhoogt).

quaeram – dicam: Cicero speelt met het belangrijke woord dicere (zie §124) en varieert het met quaerere (allebei komen telkens twee keer voor in deze alinea). Terwijl dicere het gevaarlijke uitspreken van de waarheid suggereert, lijkt quaerere voorzichtiger en onschuldiger – Cicero stelt zogenaamd maar wat vragen waarop het publiek (en de rechters) zelf hun antwoorden mogen verzinnen. In de loop van de argumentatie wordt quaerere echter steeds belangrijker als middel om de waarheid te vinden (zie §130).

sive Valeria sive Cornelia: Cicero doet alsof hij de twee wetten niet uit elkaar kan halen; indirect introduceert hij hiermeee echter ook de naam van Cornelius Sulla. Cicero speelt hier met de associaties van het publiek: hoewel hij Sulla altijd buiten schot houdt, kan een luisteraar op dit punt natuurlijk wel de vraag stellen of Sulla hier wel iets mee te maken had en dus zijn eigen wetten heeft overtreden (zie ook Erucius’ veronderstelling in §127). Zo’n impliciete vorm om over de machtigen te spreken kennen wij van dictatoriale staatsvormen waarin men niet vrij mag spreken (zie het commentaar bij libere dicentur onder context).

qui potuerunt … ista ipsa lege – ista ipsa lege … qui potuerunt: chiasme (zie thema stijlfiguren); de herhaling wordt door de onderbreking van de zin gemotiveerd (de luisteraar kan daardoor vergeten zijn hoe de zin begon), maar de chiastische herhaling benadrukt natuurlijk ook het belang van deze vraag: hoe kon dit gebeuren (potuerunt)?

emptor est Chrysogonus: dat Chrysogonus de landgoederen van vader Roscius had gekocht, wordt al in §6 gezegd. Tussendoor kan de toehoorder dat echter hebben vergeten omdat het zo vaak om de Titi Roscii en hun landbezit ging. De opkoper is natuurlijk de eerste profiteur; Cicero’s vraag cui bono? (zie §84) zal in het vervolg met “Chrysogono” beantwoord worden.

audaciter ac libere dicentur: ook hiermee grijpt Cicero terug naar het hegin van de speech waar hij het vrijuit durven spreken als audacia (‘dapperheid’) gekarakteriseerd had, zie §2 en 3. Dat Cicero zo’n vrijheid van meningsuiting in deze zin in de toekomst plaatst, maakt impliciet duidelijk dat het nu nog te gevaarlijk zou zijn om helemaal open over alle proscripties te spreken en daarmee ook Sulla’s politieke rol eerlijk te evalueren. Dit is een weliswaar impliciete, maar toch ook zware kritiek op Sulla’s bewind dat niet meer op dat van een republikeinse leider lijkt, maar monarchistische trekken vertoont (zie ook de lof in §131).

lex Valeria/lex Cornelia: de lex Valeria (ingediend door L. Valerius Flaccus in 82 v.Chr.) had Sulla officieel tot dictator gemaakt en hem de macht gegeven wetten op te stellen (dictator legibus scribundis et rei publicae constituendae); met de kort daarna ingevoerde lex Cornelia had Sulla de proscriptie wettelijk geregeld.

venierunt ... venire ... venisse: niet van venire ‘komen’ maar van vēn-ire ‘verkocht worden’.

ut id dicam esse indignum: het voornaamwoord id anticipeert op de a.c.i. esse indignum etc: ‘om dit te zeggen (namelijk) dat het schandalig is’; het subject van esse indignum wordt gevormd door de a.c.i. hominis innocentis bona venisse.

qui potuerunt: ‘hoe konden’ (zie Pinkster s.v. qui 4); het subject van potuerunt is bona Sex. Roscii. Door de bijzin (quae t/m Cornelia) en de parenthese (non enim novi nec scio) dreigt de zin als het ware te “ontsporen”; met verum ista ipsa lege herneemt Cicero de hoofdzin, waarbij ook qui potuerunt wordt herhaald.