Argumentatio-2

Paragraaf 101

veniat modo, explicet suum volumen illud quod ei planum facere possum Erucium conscripsisse; quod aiunt illum Sex. Roscio intentasse et minitatum esse se omnia illa pro testimonio esse dicturum. O praeclarum testem, iudices! o gravitatem dignam exspectatione! o vitam honestam atque eius modi ut libentibus animis ad eius testimonium vestrum ius iurandum accommodetis! profecto non tam perspicue nos istorum maleficia videremus, nisi ipsos caecos redderet cupiditas et avaritia et audacia.

 

veniat, explicet: Cicero daagt Capito uit; vergeleken met het begin van de redevoering lijkt zijn zelfvertrouwen nu toe te nemen en vertrouwt hij steeds meer op de goodwill van zijn publiek (zie thema zelfrepresentatie).

o praeclarum testem – gravitatem dignam – vitam honestam atque eiusmodi ut…: een zeer ironische tricolon crescens (zie thema stijlfiguren) waarmee Cicero de rechters alvast negatief tegenover de getuige wil beïnvloeden.

cupiditas et avaritia et audacia: Nog een tricolon met polysyndeton en alliteratie (cupiditas allitereert ook nog met caecos daarvoor), dat het eerdere ironische tricolon opneemt en volledig tegenspreekt. In §75 heeft Cicero gezegd dat audacia voortkomt uit avaritia.

perspicue: in §98 had Cicero hetzelfde woord gebruikt om evidentia voor te bereiden. Ook in §102 gaat Cicero door met evidentia. Dat de zaak zo helder voor ieders ogen staat, ligt volgens hem dus aan het meer dan doorzichtige gedrag van de tegenpartij.

volumen: boeken hadden in de tijd van Cicero nog de vorm van papyrusrollen, vandaar de naam volumen (van het werkwoord volvere, ‘rollen’) die in veel moderne talen nog steeds bestaat.

Erucium conscripsisse: Cicero beweert dat de aanklager Erucius ook de verklaring van de getuige heeft geschreven, waardoor de onafhankelijkheid van de getuige natuurlijk in het geding zou komen. Misschien suggereert Cicero ook dat Capito en Erucius niet de ongeschreven regels van een goed proces volgen, namelijk dat het voorlezen van een voorbereide tekst amateuristisch is. (zie de karakterisering van Capito als dom in §104)

caecos: het idee dat verlangen blind maakt, komt vaker voor bij Cicero; ook bij latere auteurs als Seneca, Plinius en Augustinus vinden we verwijzingen naar caeca cupiditas; in het beroemde werk Inferno van de Italiaanse auteur Dante Alighieri vinden we ook ‘cieca cupidigia’. Het Engels heeft nog steeds ‘blind greed’ en in het Nederlands kennen we ‘blinde hebzucht’ als uitdrukking (zie thema logos-ethos-pathos).

quod ei planum facere possum Erucium conscripsisse: lett. ‘die ik duidelijk kan maken dat Erucius voor hem geschreven heeft’, oftewel, ‘waarvan ik duidelijk kan maken Erucius die voor hem geschreven heeft’.

intentasse: = intentavisse.

minitatum esse: minitari is het intensivum van minari ‘(be)dreigen’, dat de dativus regeert; de inhoud van het dreigement wordt uitgedrukt in de a.c.i. se ... esse dicturum.

o praeclarum testem: acc. exclamationis.

ad eius testimonium ... accomodetis: accommodare ad = ‘aanpassen aan’.

non ... videremus, nisi ... redderet: coni. imperf. in hoofd- en bijzin, dus irrealis (van het heden). reddere + dubbele acc. betekent ‘maken (tot)’.