Argumentatio-3

Paragraaf 131

placet igitur in his rebus aliquid imprudentia praeteriri? non placet, iudices, sed necesse est. etenim si Iuppiter optimus maximus cuius nutu et arbitrio caelum terra mariaque reguntur saepe ventis vehementioribus aut immoderatis tempestatibus aut nimio calore aut intolerabili frigore hominibus nocuit, urbis delevit, fruges perdidit, quorum nihil pernicii causa divino consilio sed vi ipsa et magnitudine rerum factum putamus, at contra commoda quibus utimur lucemque qua fruimur spiritumque quem ducimus ab eo nobis dari atque impertiri videmus, quid miramur, iudices, L. Sullam, cum solus rem publicam regeret orbemque terrarum gubernaret imperique maiestatem quam armis receperat iam legibus confirmaret, aliqua animadvertere non potuisse? nisi hoc mirum est quod vis divina adsequi non possit, si id mens humana adepta non sit. 

 

In deze alinea vergelijkt Cicero Sulla’s heerschappij met de macht die Jupiter over de wereld heeft. Dat doet hij in een van de langste en retorisch meest versierde zinnen van de hele speech, mede door de epische sfeer die Cicero met de Jupiter-vergelijking oproept. Het is opvallend dat deze twee kanten opgaat: Jupiter is niet alleen de weldadige, maar ook de vernietigende god. Dat past bij andere passages van de speech waar Cicero’s houding tegenover Sulla ambigue is.

De vergelijking moet voor de luisteraars verrassend zijn geweest omdat het ongepast is een machthebber in de Romeinse republiek met de almachtige goden te vergelijken. Normaliter werd een dictator voor zes maanden benoemd; Sulla daarentegen schijnt tot dictator perpetuus gemaakt te zijn (zie thema Sulla), wat zeer ongebruikelijk was en waardoor zijn positie enigszins leek op die van een monarch (in een speech in de jaren 50, De haruspicum responsis, noemt Cicero zijn bewind ook regalis, ‘koninklijk’). Het prijzen van een heerser door hem met Jupiter te vergelijken kennen we dan ook uit latere lofredes op keizers; zo vergelijkt Ovidius Augustus vaak met Jupiter. Zie ook §22.

cuius nutu … perdidit: een retorisch zeer gestiliseerde zin met veel tricola (caelum terra mariaque; nocuit deleuit perdidit) of ‘vierslagen’ (ventis tempestatibus calore frigore), alliteraties (ventis vehementioribus) en verheven woorden (nutu). Het effect is dat het lijkt alsof Cicero woorden uit epische teksten over de macht van Jupiter aan elkaar rijgt (of hij inderdaad citaten gebruikt, weten we niet omdat de meeste epische teksten uit de derde en tweede eeuw v.Chr. verloren zijn gegaan). Natuurlijk was Cicero ook in staat om zelf zo’n poëtische beschrijving te verzinnen: hij schreef geregeld metrische teksten en vertaalde Griekse dichtwerken naar het Latijn.

magnitudine rerum: verbindt deze beschrijving van Jupiter met Sulla die in §130 ook met een magnitudo rerum te maken had.

contra commoda … videmus: een alliteratie luidt de tweede helft van de beschrijving van Jupiters effect op de wereld in, nu gericht op de weldaden voor de mens (opnieuw uitgedrukt met een tricolon: commoda lucemque spiritumque).

Sullam … confirmaret: ook Sulla’s daden worden in een tricolon (crescens) beschreven (regeret gubernaret confirmaret). Vooral het eerste deel is opvallend: Sulla heerst alleen (solus); dit wordt door de alliteratie rem publicam regeret versterkt. Her derde deel prijst zijn daden in oorlog en vrede door de antithese armis legibus.

Iuppiter Optimus Maximus: Jupiter werd in Rome onder verschillende namen vereerd. Als Iuppiter Optimus Maximus was hij de oppergod van de andere goden en beschermheer van de stad en het Romeinse Rijk. Zijn tempel stond op het Capitool als onderdeel van de Trias Capitolina (samen met Iuno en Minerva) en was zichtbaar vanaf de plek waar de speech op het forum gehouden werd (voor de Basilica Aemilia; zie de plattegrond bij het thema strafrechtspraak). Deze tempel was het religieuze centrum waar de belangrijkste offers gehouden werden.

imprudentia: abl. van oorzaak.

hominibus nocuit: noc─ôre (‘schaden’) regeert de dativus.

quorum nihil ... factum putamus: ‘waarvan wij menen dat niets gedaan is’ of ‘waarvan naar onze mening niets gedaan is’.

pernicii causa: ‘om wille van de vernietiging’.  

contra: het bijwoord ‘daarentegen’ (dus niet het voorzetsel ‘tegen’); de zin die volgt is nog steeds onderdeel van de lange si-bijzin (‘... maar [als] wij daarentegen zien dat de voordelen etc.’).   

quibus utimur ... qua fruimur: zowel uti (‘gebruiken’) als frui (‘genieten van’) is een verbum deponens en beide werkwoorden regeren de abl. 

quid miramur: met deze coni. deliberativus (‘waarom moeten wij ons er (dan) over verbazen?’) begint de hoofdzin.

aliqua: acc. pl. neut. (‘sommige dingen’).

quod ... id: zoals wel vaker gaat de relatieve bijzin vooraf aan het “antecedent”; als we de volgorde omdraaien: “tenzij dit verwondelijk is, als de menselijk geest niet datgene (id) heeft bereikt, wat (quod) de goddelijke macht niet kan bereiken”.