Argumentatio-3

Paragraaf 133

alter tibi descendit de Palatio et aedibus suis; habet animi causa rus amoenum et suburbanum, plura praeterea praedia neque tamen ullum nisi praeclarum et propinquum. domus referta vasis Corinthiis et Deliacis, in quibus est authepsa illa quam tanto pretio nuper mercatus est ut qui praetereuntes quid praeco enumeraret audiebant fundum venire arbitrarentur. quid praeterea caelati argenti, quid stragulae vestis, quid pictarum tabularum, quid signorum, quid marmoris apud illum putatis esse? tantum scilicet quantum e multis splendidisque familiis in turba et rapinis coacervari una in domo potuit. familiam vero quantam et quam variis cum artificiis habeat quid ego dicam? 

 

De volgende karakterisering van Chrysogonus als een typische vrijgelatene en nouveau riche is grappig en sterk beïnvloed door de bekende typering zoals men die op de retoricaschool leerde. In de Rhetorica ad Herennium (die ongeveer tien jaar voor deze speech geschreven werd) staat bijvoorbeeld in 4.62 dat men jaloezie tegen de tegenstander kan opwekken door te beschrijven hoe hij met zijn rijkdom praalt (zie deze paragraaf); haat bereikt men door hem neer te zetten als iemand die “dagelijks als een draak over het forum kruipt” (zie §135). Wat we hier lezen is dus waarschijnlijk een karikatuur vol met retorische overdrijvingen. We kennen bovendien meerdere (satirische) teksten uit de Romeinse oudheid waarin de spot gedreven wordt met vrijgelatenen die veel geld hebben verworven maar de daarbij behorende beschaving missen (denk aan het ‘Gastmaal van Trimalchio’ uit Petronius’ Satyrica of Horatius’ Satire 2.8; beide teksten hebben veel parallelen met deze beschrijving).

plura praeterea praedae … praeclatum et propinquum: zeer sterke alliteratie die overdreven lijkt en daardoor ook het komisch-vertekende effect kan versterken.

quid (5x): de anafoor en de korte cola versterken de indruk van enorme massa’s schatten in Chrysogonus’ huis.

alter: hier praat Cicero over Chrysogonus, misschien als categorie van een typische vrijgelatene die zijn rijkdom liever in Rome tentoonstelt.

Palatium: de Palatijn was de chiqueste woonwijk van Rome waar veel senatoren woonden.

rus suburbanum: een villa net buiten de stad, in de heuvels rondom Rome, was bijzonder populair omdat je er snel vanuit de stad naartoe kon en omdat de vaak oude stadjes rondom Rome een eerbiedwaardige sfeer hadden.

vasis Corinthiis et Deliacis: Korinthisch en Delisch brons was kostbaar en geliefd onder verzamelaars van Griekse kunst, iets wat in Rome sinds de verovering van Griekenland in de tweede eeuw v.Chr. steeds populairder werd.

authepsa: een bijzonder kostbaar en zeldzaam voorwerp. Het woord (een Grieks leenwoord) komt behalve hier alleen nog een andere keer in de hele antieke literatuur voor. Het schijnt een soort draagbaar kookapparaat geweest te zijn waarbij een vuur tussen twee metalen bodems zat en het water in de pot opwarmde.

turba: hiermee verwijst Cicero naar de proscripties die Chrysogonus benut heeft om de kunstschatten van veel rijke families buit te maken.

alter: alter ... alter = ‘de een ... de ander’. Vanwege de lacune is niet bekend wie ‘de een’ is.

tibi: dat. ethicus.

animi causa: ‘voor zijn genoegen’.

ullum: sc. praedium.

referta: + abl. ‘volgestopt met’

tanto pretio: abl. van prijs (vgl. §130 tantulo).

venire: niet veni-re ‘komen’, maar ven-ire ‘verkocht worden’.

caelati argenti: gen. partitivus bij quid.

in turba: ‘in de chaos’.

familiam: het Latijnse woord verwijst naar iedereen, familieleden maar ook slaven en bedienden, die samen in één huis wonen. Hier doelt Cicero duidelijk niet op de familie (in onze betekenis van het woord) maar op het personeel.

vero: het partikel markeert hier, zoals vaak, een climax (lastig te vertalen).

familiam t/m dicam: de woordvolgorde is een beetje spreektalig (‘En wat z’n personeel betreft, hoe groot en met hoe verschillende vaardigheden hij [dat] heeft, wat moet ik [daarover] zeggen?’).