Peroratio

Paragraaf 149

quae domi gerenda sunt, ea per Caeciliam transiguntur, fori iudicique rationem M. Messala , ut videtis, iudices, suscepit; qui, si iam satis aetatis ac roboris haberet, ipse pro Sex. Roscio diceret. quoniam ad dicendum impedimento est aetas et pudor qui ornat aetatem causam mihi tradidit quem sua causa cupere ac debere intellegebat, ipse adsiduitate, consilio, auctoritate, diligentia perfecit ut Sex. Rosci vita erepta de manibus sectorum sententiis iudicum permitteretur. nimirum, iudices, pro hac nobilitate pars maxima civitatis in armis fuit; haec acta res est ut ei nobiles restituerentur in civitatem qui hoc facerent quod facere Messalam videtis, qui caput innocentis defenderent, qui iniuriae resisterent, qui quantum possent in salute alterius quam in exitio mallent ostendere; quod si omnes qui eodem loco nati sunt facerent, et res publica ex illis et ipsi ex invidia minus laborarent.   

iudices (2x): de frequentie van het directe aanspreken van de rechters is in deze laatste alinea’s heel hoog (3x in §150; telkens 1x in de daarna volgende paragrafen). Cicero probeert daarmee de juryleden de urgentie te laten voelen dat zij een heel belangrijke beslissing voor het welzijn van Rome moeten nemen.

aetatis – aetas – aetatem: met de drievoudige verwijzing naar de jonge leeftijd van Messalla verontschuldigt Cicero diens gedrag: hij valt niet onder de groep amici van Roscius die het niet aandurven openlijk voor hem te spreken. Tegelijkertijd benadrukt Cicero daarmee impliciet nog eens hoe bijzonder het is dat hijzelf wel spreekt, hoewel hij (met net 26 jaar) slechts iets ouder is dan Messalla.

causam – sua causa: opvallend spel met de twee betekenissen van het woord causa (‘proces’ en ‘reden’), dat door de alliteratie causa cupere extra benadrukt wordt.

assiduitate … diligentia: zoals vaker in deze speech staan ook hier in plaats van een tricolon vier cola om Messalla’s uitzonderlijke steun te benadrukken.

de manibus secrorum sententiis iudicum: de formulering is antithetisch; daardoor worden de juryleden nog eens aangespoord om om geen gemene zaak te maken met Chrysogonus en zijn makkers.

qui (4x): ook hier variëert Cicero het klassieke tricolon. De eerste van de vier qui-zinnen (qui hoc facerent) is algemeen; de volgende drie leggen dan als tricolon crescens (zie thema stijlfiguren) uit wat Messalla allemaal doet en anderen ook zouden moeten doen (defendere, resistere, ostendere).

quod si omnes … laborarent: een sterk moreel appèl aan de rechters dat zij nu verantwoordelijk zijn voor het behoud van de staat; als zij echter besluiten om Chrysogonus te steunen, dan zijn ze de staat tot last en maken ze een eind aan fatsoenlijk politiek gedrag.

Caecilia: zie §147.

M. Messalla: de familie van de Valerii Messallae had veel invloed in Rome en onderhield traditioneel goede banden met de Cornelii (Sulla’s familie). Het is niet helemaal duidelijk welke Messalla hier bedoeld is; de twee waarschijnlijkste kandidaten (Messalla Niger en Messalla Rufus) waren in het jaar van het proces allebei begin 20 en zouden al als advocaten kunnen optreden (dat mocht waarschijnlijk al bij 18 jaar). Dat Cicero hier zo uitgebreid bij hem stilstaat heeft ook ermee te maken dat hij de juryleden nog eens wil duidelijk maken dat zij, als zij voor Roscius en dus tegen Chrysogonus zouden stemmen, op de toestemming van veel machtige mannen in Rome konden rekenen. Blijkbaar toonde Messalla tijdens het proces zichtbaar voor ieder zijn steun voor Roscius (ut videtis), bijvoorbeeld door naast hem te zitten.

pro hac nobilitate … in armis fuit: verwijzing naar de burgeroorlog (zie §135) en naar Sulla die aan de kant van de adellijken heeft gevochten. Cicero zegt hier voor de zoveelste keer dat Sulla voor een andere vorm van macht staat dan Chrysogonus’ schrikbewind: hij wilde volgens Cicero juist de eendracht in de staat herstellen en de vrees voor individuele potentia uitbannen.

domi: locativus (‘thuis’).              

si ... haberet, ... diceret: irrealis van het heden.

aetatis ac roboris: gen. partitivus bij satis.

ad dicendum: ‘om te spreken’ (gerundium).

impedimento est: de dativus impedimento fungeert als predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde), een constructie die te boek staat als dat. finalis (‘is tot belemmering’). 

quem ... cupere ac debere intellegebat: ‘die hij begreep te verlangen en verschuldigd te zijn’, i.e. ‘van wie hij begrijp dat hij etc.’ (relative Verschränkung); het antecedent van quem is mihi (Cicero).  

sua causa: ‘om zijnentwil’ of ‘omwille van hem’; de gen. waarmee causa normaliter gepaard gaat, is hier vervangen door een bezittelijke voornaamwoord.

ii nobiles: ii anticipeert op de relatieve bijzinnen die volgen.  

facerent ... defenderent ... resisterent: de coni. in de relatieve bijzin heeft een definiërende waarde (‘edelen van dien aard dat zij etc.’).

qui ... ostendere: ‘die liever willen tonen hoeveel zij vermogen in de redding van een ander dan in (zijn) ondergang’.

eodem loco: het gaat hier niet om een fysieke plek, maar om een ‘(sociale) positie’.

laborarent: laborare hier (zoals vaak) in de betekenis ‘zwoegen, te lijden hebben’.