Argumentatio-2

Paragraaf 112

quid recipis mandatum, si aut neglecturus aut ad tuum commodum conversurus es? cur mihi te offers ac meis commodis officio simulato officis et obstas? recede de medio; per alium transigam. suscipis onus offici quod te putas sustinere non posse; quod minime videtur leve iis qui minime ipsi leves sunt. ergo idcirco turpis haec culpa est, quod duas res sanctissimas violat, amicitiam et fidem. nam neque mandat quisquam fere nisi amico neque credit nisi ei quem fidelem putat. perditissimi est igitur hominis simul et amicitiam dissolvere et fallere eum qui laesus non esset, nisi credidisset. 

 

recipis: met de tweede persoon enkelvoud kan Cicero zich richten tot een denkbeeldige tegenstander in een discussie over vriendschap en hulp, maar een mogelijke concrete tweede persoon is natuurlijk Capito die hier wordt aangevallen. Ook in de rest van deze paragraaf blijven beide lezingen steeds mogelijk: een algemene, maar ook een specifieke. 

offers – officio officis: de allitererende woorden vormen inhoudelijk een tegenstelling: hulp aanbieden vs. iemands opdracht tegenwerken. Vooral de etymologisch verwante woorden officium en officere die hier als inhoudelijke antithese gebruikt zijn, geven aan hoe onnatuurlijk het is om officia te saboteren (officere); officis klinkt bovendien bijna hetzelfde als de vorm officiis aan het eind van §111. Natuurlijk allitereert ook obstas, zij het iets minder zwaar.

onus offici: zet de alliteratie voort; onus lijkt zelfs hoofdzakelijk wegens deze alliteratie toegevoegd (suscipis officium had ook prima gekund).

minime videtur leve – minime leves sunt: de gedachte is met deze woordherhaling en de negatie opvallend uitgedrukt en benadrukt (Cicero had ook positief, maar met minder woordherhaling kunnen formuleren quod grave videtur eis qui ipsi graves sunt). Er moet wel bij gezegd worden dat deze formulering door moderne uitgevers zo is gereconstrueerd; in de handschriften is hier een veel moeilijker te begrijpen tekst overgeleverd (zie thema Tekstoverlevering).

turpis culpa: neemt turpe iudicium van §111 weer op. In §113 staat dan turpissimum iudicium; ook in §116 wordt turpissimum gebruikt.

nam neque mandat … putat: net als in §111 gebruikt Cicero ook hier een in algemene termen geformuleerd argument (een thesis).

amicitiam dissolvere: veel sterker geformuleerd dan in §111 waar Cicero het nog over fidem amicorum laedere had. Eerst werd vriendschap gekwetst, nu helemaal vernietigd.

officio simulato: abl. absolutus.

de medio recede: zie Pinkster s.v. medium 2.

idcirco ... quod: ‘hierom ... omdat’

mandat ... credit: absoluut gebruikt (zonder object) in de betekenis ‘een opdracht geven’ c.q. ‘vertrouwen hebben’.

perditissimi est ... hominis: de gen. heeft hier de syntactische functie van predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde); het subject wordt gevormd door de infinitivi dissoluere et fallere. In traditionele grammatica’s wordt gesproken van een gen. qualitatis, omdat hier een eigenschap wordt uitgedrukt: ‘het is eigen aan / het is typisch voor een zeer verdorven man’.