Peroratio

Paragraaf 154

homines sapientes et ista auctoritate et potestate praeditos qua vos estis ex quibus rebus maxime res publica laborat, eis maxime mederi convenit. vestrum nemo est quin intellegat populum Romanum qui quondam in hostis lenissimus existimabatur hoc tempore domestica crudelitate laborare. hanc tollite ex civitate, iudices, hanc pati nolite diutius in hac re publica versari; quae non modo id habet in se mali quod tot civis atrocissime sustulit verum etiam hominibus lenissimis ademit misericordiam consuetudine incommodorum. nam cum omnibus horis aliquid atrociter fieri videmus aut audimus, etiam qui natura mitissimi sumus adsiduitate molestiarum sensum omnem humanitatis ex animis amittimus.    

 

In de afsluitende paragraaf wordt het vanouds milde Romeinse karakter met veel superlativi aangeduid (lenissimus, lenissimis, mitissimi); Cicero contrasteert dit met het gevaar van toenemende wreedheid, die ontstaat als men te vaak gruwelijke dingen meemaakt. De rechters moeten deze trend keren.

auctoritate et potestate: zie §122 voor de macht van de jury; potestas contrasteert in de speech steeds met potentia. Hier wordt de term versterkt door de alliteratie potestate praeditos (die de p-alliteratie uit §153 voortzet)

maxime … laborat, iis maxime mederi: de woordherhaling en m-alliteratie zetten het appèl kracht bij. Hier laat Cicero nog onuitgesproken wat het is waaronder de staat lijdt. Enkele zinnen later herhaalt hij het werkwoord laborare, en verwijst dan naar de wreedheid die zich van Rome meester dreigt te maken.

vestrum nemo est quin intellegat: Cicero’s formulering is hier manipulatief (hij weet natuurlijk niet wat iedereen individueel denkt) en dwingt de rechters daarmee als het ware zijn mening over te nemen.

in hostes lenissimus – domestica crudelitate: de tegenstelling tussen mildheid in de oorlog en wreedheid in Rome tegen de medeburgers zet de tegenstelling oorlog/rechtbanken uit §151 voort.

hanc … hanc: de anafoor versterkt de oproep (eveneens als de varierende herhaling ex civitate – in hac re publica). De wreedheid van de huidige situatie wordt eveneeens door woordherhaling (atrocissime, atrociter) versterkt.

incommodorum – molestiarum: Cicero gebruikt hier verrassend ondramatische woorden voor de proscripties.

ex animis amittimus: een alliteratie met het woord amittere (‘verliezen’), waardoor de speech in mineur lijkt te eindigen (de menselijkheid die we op dit moment aan het verliezen zijn – indicatief praesens!). Hierna valt een stilte, die de toehoorders tot actie aan moet zetten. Bovendien echoot amittimus het eerder genoemde mitissimi sumus, de kern van de humanitas die Cicero wil bewaren.

sensum humanitatis: de laatste zin legt een enorme nadruk op het behoud van menselijkheid, humanitas. De term is heel moeilijk te vertalen omdat hij zo veel omvat (de menselijke soort, de mens als politiek en sociaal wezen, beschaving, cultuur, verfijndheid). De laatste zin maakt het proces daarmee tot een zaak die niet alleen om een moord en zelfs niet om de huidige politieke crisis draait, maar om het voortbestaan van menselijke beschaving in Rome. Het zou voor een rechter moeilijk zijn om deze opdracht (de menselijkheid te beschermen) te weigeren.

ista auctoritate et potestate praeditos: praeditus + abl. = begiftigd met, voorzien van.

qua vos estis: sc. praediti.

ex quibus rebus: het antecedent is iis, of liever, iis herneemt de relatieve bijzin. 

iis ... mederi: mederi  + dat. = “genezen”.

vestrum: gen. partitivus van vos (“niemand van jullie”).

nemo est quin: het voegwoord quin neemt hier de plaats in van qui non (“er is niemand die niet”)

id ... mali: “dit kwaad”, lett. “dit van kwaad” (gen. partitivus).  

natura: abl. (“van nature”).